23 sep 2026,
Rechtbank wijst algemeen mededelingsverbod over attorney-client privilege af
Rb. Rotterdam 23 september 2026, IEF 23899; ECLI:NL:RBROT:2026:13046 ([eiser] tegen Harbour Antibodies). In deze zaak tussen [eiser] en Harbour Antibodies staat centraal of ter bescherming van attorney-client privilege een mededelingsverbod moet worden opgelegd en de mondelinge behandeling gedeeltelijk achter gesloten deuren moet plaatsvinden. In de hoofdzaak vordert [eiser] vergoeding van juridische kosten die onder meer zijn gemaakt in verband met een octrooi-inbreukprocedure bij het Delaware District Court. Ook speelt een eerdere procedure over de uitleg van een licentieovereenkomst betreffende octrooien een rol. [eiser] verzoekt de rechtbank Harbour Antibodies en haar advocaten te verbieden om aan derden mededelingen te doen over gegevens uit de procedure. Volgens hem zijn documenten in deze procedure relevant die naar Amerikaans recht onder het attorney-client privilege vallen en moet worden voorkomen dat overlegging daarvan in Nederland als waiver van dat privilege wordt beschouwd.
De rechtbank wijst het gevorderde mededelingsverbod af. Openbaarheid van de rechtspleging is het uitgangspunt. Een verbod op grond van art. 28 Rv is alleen mogelijk als voldoende concreet en bepaalbaar is op welke gegevens het betrekking heeft. Een algemeen verbod voor “gegevens uit de procedure” is daarvoor onvoldoende gespecificeerd. Wel kan [eiser] later voor een specifiek document een mededelingsverbod vragen als hij voldoende onderbouwt dat dit onder een relevant attorney-client privilege valt. Ook bij een verzoek om de mondelinge behandeling achter gesloten deuren te laten plaatsvinden geldt volgens de rechtbank terughoudendheid. De rechtbank ziet wel dat beide partijen belang hebben bij bescherming van privileged informatie, maar acht de huidige formulering praktisch onwerkbaar. De beslissing hierover wordt daarom aangehouden tot de mondelinge behandeling. Dan kan worden besproken of werkbare afspraken kunnen worden gemaakt om bepaalde onderdelen van de behandeling achter gesloten deuren te laten plaatsvinden. De rechtbank merkt ten slotte op dat op grond van de tussen partijen gesloten Litigation and Cooperation Agreement het recht van Californië bepalend is voor vragen over attorney-client privilege. Dat geldt ook voor de vraag of overlegging van stukken in deze Nederlandse procedure een waiver oplevert. Van [eiser] wordt verwacht dat hij de rechtbank daarover vóór de zitting nader informeert, bijvoorbeeld door middel van een deskundigenopinie.
3.5 Een algemeen mededelingsverbod met betrekking tot “gegevens uit de procedure”, zoals gevorderd door [eiser], is onvoldoende gespecificeerd. In het lichaam van de dagvaarding heeft [eiser] weliswaar als voorbeeld vertrouwelijke e-mails genoemd, maar de vordering is in dat kader niet begrensd en het voorbeeld geeft onvoldoende duidelijkheid. Het had op de weg van [eiser] gelegen om concreet te omschrijven op welke gegevens het door hem verlangde mededelingsverbod betrekking zou moeten hebben. Nu hij dat niet heeft gedaan zal de vordering worden afgewezen.
De rechtbank voegt daaraan toe dat, als [eiser] op enig moment in de procedure van een specifiek document aangeeft en onderbouwt dat het onder een relevant attorney-client privilege valt, hij op dat moment voor dat stuk een gebod op basis van artikel 28 Rv kan vragen.
3.8 Tegen deze achtergrond zal de rechtbank deze vordering nu niet toewijzen. De rechtbank begrijpt echter dat beide partijen belang hechten aan het client attorney privilege en ziet, mede gezien het feit dat beide partijen de maatregel wenselijk achten, in dit geval aanleiding de mogelijkheden te inventariseren om de mondelinge behandeling gedeeltelijk met gesloten deuren te laten plaatsvinden. De huidige vordering is echter op zodanige wijze geformuleerd dat toewijzing daarvan tot praktische problemen zou kunnen leiden. Als de rechtbank de door [eiser] geformuleerde vordering zou toewijzen, zou dat de onwerkbare situatie opleveren dat tijdens de mondelinge behandeling te pas en te onpas zal moeten worden beoordeeld of hetgeen op dat moment aan de orde is al dan niet onder het client attorney privilege valt. De rechtbank zal uit praktische overwegingen dan ook de beslissing op deze vordering aanhouden tot aan de mondelinge behandeling zelf. Bij aanvang van de mondelinge behandeling kan dan worden besproken of er werkbare regieafspraken gemaakt kunnen worden over een gedeeltelijke behandeling met gesloten deuren. Van partijen wordt verwacht dat zij bij het voorbereiden van hun pleidooi hiermee rekening houden, bijvoorbeeld door de kwesties waar dit aan de orde kan zijn gebundeld te behandelen.
Ten slotte
3.9. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat op grond van artikel 12 van de tussen partijen gesloten Litigation and Cooperation Agreement het recht van de staat Californië van toepassing is op vragen met betrekking tot het client attorney privilege. Dit betreft ook de vraag of het overleggen van stukken in de onderhavige procedure al dan niet moet worden gezien als waiver van dat privilege naar Amerikaans (federaal) recht, hetgeen [eiser] beoogde te voorkomen met het gevorderde mededelingsverbod. Deze vraag kan de rechtbank dus niet naar Nederlands recht beantwoorden. Het recht van de staat Californië is daarmee beslissend voor de vraag welke gegevens überhaupt vallen onder het client attorney privilege, welke vraag van belang is voor de mogelijk te maken regieafspraken. Het had op de weg van [eiser] gelegen om de rechtbank daarover nader voor te lichten, bijvoorbeeld door middel van een opinie van een ter zake kundige persoon. De rechtbank verwacht een dergelijke opinie voor de zitting.