Gepubliceerd op dinsdag 13 oktober 2026
IEF 23927
Rechtbank Midden-Nederland ||
30 sep 2026,
Rechtbank Midden-Nederland 30 sep 2026,, IEF 23927; ECLI:NL:RBMNE:2026:6957 ([eiseres] tegen [gedaagden]), https://www.ie-forum.nl/artikelen/rechtbank-midden-nederland-bevoegd-ten-aanzien-van-nederlandse-en-duitse-distributeur-in-auteursrechtelijk-geschil-over-ruilkaartspel

Rechtbank Midden-Nederland bevoegd ten aanzien van Nederlandse en Duitse distributeur in auteursrechtelijk geschil over ruilkaartspel

Rb. Midden-Nederland 30 september 2026, IEF 23927; ECLI:NL:RBMNE:2026:6957 ([eiseres] tegen [gedaagden]). In een geschil over de verkoop en distributie van een ruilkaartspel beoordeelt de Rechtbank Midden-Nederland of zij internationaal bevoegd is om kennis te nemen van vorderingen tegen vier vennootschappen uit hetzelfde concern, gevestigd in Nederland, Duitsland en de Verenigde Staten. De Amerikaanse eiseres stelt dat de verkoop en distributie van het spel inbreuk maken op haar auteursrechten en daarnaast onrechtmatig zijn. De rechtbank is op grond van artikel 4 Brussel I-bis bevoegd ten aanzien van de Nederlandse vennootschap. Ook ten aanzien van de Duitse distributeur neemt de rechtbank bevoegdheid aan op grond van artikel 8 lid 1 Brussel I-bis. De vorderingen hebben betrekking op hetzelfde spel en op nauw samenhangende verkoop- en distributieactiviteiten binnen dezelfde distributieketen. De Nederlandse vennootschap treedt daarbij op als lokale distributeur en de Duitse vennootschap als centrale distributeur. Ook de vorderingen die betrekking hebben op de verkoop in Duitsland en Oostenrijk en de export naar andere EU-lidstaten vertonen volgens de rechtbank voldoende samenhang met de Nederlandse vorderingen. Dat de eiseres mogelijk een voor haar gunstiger forum heeft gekozen, staat niet aan bevoegdheid in de weg, zolang aan de voorwaarden van artikel 8 lid 1 Brussel I-bis is voldaan en geen sprake is van een kunstmatige ankergedaagde. De rechtbank acht zich daarom bevoegd voor alle vorderingen tegen de Duitse distributeur, zowel op grond van auteursrecht als onrechtmatige daad.

Voor de Duitse moedervennootschap en de Amerikaanse concernvennootschap verklaart de rechtbank zich daarentegen onbevoegd. Ten aanzien van de Duitse moedervennootschap is onvoldoende onderbouwd dat zij zelf betrokken is bij de gestelde inbreukmakende of onrechtmatige handelingen. Haar positie als topholding, de zeggenschap binnen het concern en haar vermelding in het impressum van een website zijn daarvoor onvoldoende. Ook voor de Amerikaanse vennootschap ontbreekt een voldoende concrete betrokkenheid bij de verkoop en distributie van het spel in Nederland. Dat zij betrokken is bij de productontwikkeling en als uitgever op de verpakking wordt vermeld, maakt dit niet anders. De vereiste samenhang voor bevoegdheid op grond van artikel 8 lid 1 Brussel I-bis voor de Duitse moedervennootschap en artikel 7 lid 1 Rv voor de Amerikaanse vennootschap ontbreekt daarmee. Ook de alternatieve bevoegdheidsgronden van artikel 7 lid 2 Brussel I-bis respectievelijk artikel 6, aanhef en onder e, Rv bieden geen grondslag voor bevoegdheid. De rechtbank wijst het verzoek om tussentijds hoger beroep open te stellen af, compenseert de proceskosten en verwijst de zaak voor voortzetting naar de rol. Over de gestelde auteursrechtinbreuk is nog niet inhoudelijk beslist.

3.11

Voor de op het auteursrecht gebaseerde vorderingen is de vraag of er voldoende samenhang bestaat tussen de volgende vorderingen:

enerzijds:

a. de vorderingen tegen de Nederlandse ankergedaagde ( [gedaagde sub 1] ), waarvan de belangrijkste is dat [gedaagde sub 1] stopt met de verkoop van [naam spel] in Nederland,

en anderzijds:

de vorderingen tegen [gedaagde sub 3] waarvan de belangrijkste is dat [gedaagde sub 3] stopt met de export van [naam spel] naar Nederland / de verkoop van [naam spel] aan [gedaagde sub 1] , en

de vorderingen tegen [gedaagde sub 3] waarvan de belangrijkste is dat [gedaagde sub 3] stopt met de verkoop van [naam spel] in Duitsland en Oostenrijk én met de export daarvan naar de diverse andere EU-landen waar het spel op de markt wordt gebracht.

3.12

Naar het oordeel van de rechtbank bestaat tussen vorderingen A en B een duidelijke samenhang in de zin van artikel 8 lid 1 Brussel I-bis. Beide vorderingen hebben feitelijk betrekking op dezelfde markt, Nederland, en zien op dezelfde gestelde auteursrechtinbreuk: de verkoop en distributie van het spel in Nederland. Dat de aan de vorderingen ten grondslag gelegde feitelijke handelingen door verschillende entiteiten worden verricht, doet daar niet aan af. De vorderingen tegen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] hangen juist samen doordat zij betrekking hebben op aansluitende schakels binnen de verkoop- en distributieketen.

3.13

Daarmee resteert de vraag of ook tussen vorderingen A en C de vereiste samenhang bestaat. De geografische reikwijdte van die beide vorderingen verschilt: vordering A ziet op de verkoop van [naam spel] in Nederland, terwijl vordering C betrekking heeft op de verkoop in Duitsland en Oostenrijk en op de export naar andere EU-lidstaten, en eigenlijk ziet op alles wat buiten Nederland gebeurt. Dat verschil is niet doorslaggevend. Juridisch gezien gaat het om dezelfde kernvraag, namelijk of de door [gedaagde sub 3] en de met haar verbonden entiteiten verrichte verkoop- en distributiehandelingen met betrekking tot hetzelfde product, [naam spel] , inbreuk maken op de aan [eiseres] toekomende auteursrechten. Ook feitelijk bestaat er nauwe samenhang omdat de vorderingen betrekking hebben op dezelfde verkoop -en distributieactiviteiten van het [gedaagde sub 1] concern.

3.14

Bij de beoordeling van de vereiste samenhang kan van belang zijn of de verweerders onafhankelijk van elkaar handelen. Daarvan is in dit geval geen sprake. [gedaagde sub 3] is als centrale entiteit betrokken bij de verkoop en distributie van hetzelfde spel in meerdere EU-lidstaten, terwijl [gedaagde sub 1] als Nederlandse distributeur een schakel vormt in diezelfde distributieketen. De vorderingen tegen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] zijn daarmee niet slechts door een gemeenschappelijk product met elkaar verbonden, maar door de wijze waarop de verschillende entiteiten gezamenlijk uitvoering geven aan de verkoop en distributie daarvan. De omstandigheid dat de gedragingen van [gedaagde sub 3] zich ook buiten Nederland voordoen, neemt de feitelijke samenhang met de in Nederland verrichte distributiehandelingen niet weg. Deze zaak verschilt wat dit aspect betreft duidelijk van bijvoorbeeld de zaak waarin het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden eerder dit jaar uitspraak deed (ECLI:NL:GHARL:2026:2224).