Gepubliceerd op dinsdag 20 oktober 2026
IEF 23937
Rechtbank Den Haag ||
9 okt 2026,
Rechtbank Den Haag 9 okt 2026,, IEF 23937; ECLI:NL:RBDHA:2026:30246 (Volkswagen tegen DHL c.s.), https://www.ie-forum.nl/artikelen/rechtbank-den-haag-stelt-prejudiciele-vraag-over-internationale-bevoegdheid-bij-inzageverzoek-tegen-derde

Rechtbank Den Haag stelt prejudiciële vraag over internationale bevoegdheid bij inzageverzoek tegen derde

Rb. Den Haag 9 oktober 2026, IEF 23937; ECLI:NL:RBDHA:2026:30246 (Volkswagen tegen DHL c.s.). Volkswagen verzoekt de rechtbank op grond van artikel 195a Rv om DHL Express (Netherlands) en drie Duitse DHL-vennootschappen te veroordelen tot het verstrekken van gegevens over de betrokkenen bij een zending met vermeend inbreukmakende producten. De zending kwam in november 2023 via Duitsland de Europese Unie binnen en werd door de Duitse douane tegengehouden op grond van de Antipiraterijverordening (Verordening (EU) 608/2013). De producten zijn vervolgens vernietigd. Het inzageverzoek houdt verband met een nog aanhangig te maken bodemprocedure tegen Metafa Holland wegens vermeende inbreuk op Uniemodelrechten van Volkswagen. DHL c.s. betwist de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter. Volgens Volkswagen moet voor de bevoegdheidsvraag worden aangesloten bij de rechtsverhouding tussen haar en Metafa, terwijl DHL c.s. en Metafa stellen dat de rechtsverhouding tussen Volkswagen en DHL bepalend is. In een eerdere tussenbeschikking had de rechtbank aangekondigd hierover een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad te willen stellen.

De rechtbank overweegt dat de voorliggende rechtsvraag niet ziet op de toepasselijkheid of toepassing van regels van internationaal privaatrecht, maar op de daaraan voorafgaande vraag welke rechtsverhouding als uitgangspunt moet worden genomen. Hoewel een bewijsverrichting op grond van artikel 195a Rv is gericht op het verzamelen van informatie over de rechtsverhouding tussen de verzoeker en diens (beoogde) wederpartij, heeft de derde tegen wie het verzoek is gericht een eigen rechtspositie. De gevolgen daarvan voor de toepasbaarheid van het Nederlandse inzagerecht jegens een derde in internationale gevallen zijn volgens de rechtbank niet besproken in de parlementaire geschiedenis. Omdat beantwoording van deze vraag noodzakelijk is om op het bevoegdheidsverweer van DHL c.s. te beslissen en daarnaast van belang is voor vergelijkbare geschillen, stelt de rechtbank op grond van artikel 392 lid 1, onder b, Rv een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad. Zij vraagt of met ‘de zaak’ in artikel 197 lid 1, eerste volzin, Rv wordt bedoeld de zaak tussen de verzoeker en diens (beoogde) wederpartij in de (nog aanhangig te maken) bodemprocedure, of de zaak tussen de verzoeker en de derde. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan totdat de Hoge Raad de prejudiciële vraag heeft beantwoord.

4.1.

Uit de uitlatingen van partijen volgt eens te meer dat partijen de internationale (on)bevoegdheid van de Nederlandse rechter beoordelen uitgaande van een andere rechtsverhouding. Volkswagen stelt zich op het standpunt dat moet worden uitgegaan van de rechtsverhouding die aan de orde is in een eventuele bodemprocedure waarop het verzoek ziet, dus tussen Volkswagen en Metafa. DHL en Metafa betogen beide dat moet worden uitgegaan van de rechtsverhouding tussen de partijen betrokken bij het inzageverzoek, dus tussen Volkswagen en DHL. Vervolgens leidt het uitgangspunt van Volkswagen via de door haar toegepaste IPR-regels naar de Nederlandse rechter en het uitgangspunt van DHL via de Brussel I bis-Vo naar de Duitse rechter.

4.2.

De rechtsvraag die de rechtbank aan de Hoge Raad wil voorleggen, ziet niet op de toepasselijkheid of toepassing van IPR-regels, maar op de daaraan voorafgaande vraag welke rechtsverhouding als uitgangspunt dient te worden genomen. Zoals ook overwogen in ro. 4.4 van de Tussenbeschikking is de (voorlopige) bewijsverrichting van artikel 195a Rv weliswaar net als de andere (voorlopige) bewijsverrichtingen5 gericht op het verzamelen van informatie die betrekking heeft op de rechtsverhouding tussen verzoeker en (beoogde) wederpartij, maar heeft de daarbij betrokken derde – anders dan bijvoorbeeld de getuige – een eigen rechtspositie toebedeeld gekregen. De vraag wat voor gevolgen die eigen rechtspositie heeft voor de toepasbaarheid van het Nederlandse inzagerecht jegens een derde in internationale gevallen, is in de Parlementaire Geschiedenis van de Wet niet besproken. Reeds de uitlatingen van partijen in de onderhavige zaak laten zien dat dit op verschillende wijzen kan worden uitgelegd. Gelet hierop en in onderling verband en samenhang bezien met de in Tussenbeschikking I genoemde redenen, is naar het oordeel van de rechtbank het antwoord op de vraag over artikel 197 Rv nodig om in deze zaak op het door DHL gevoerde onbevoegdheidsverweer te beslissen en daarnaast rechtstreeks van belang voor de beslechting of beëindiging van vele andere uit soortgelijke feiten voortvloeiende geschillen waarin zich dezelfde vragen voordoen (artikel 392 lid 1 sub b Rv).

5.1.

stelt de Hoge Raad de volgende prejudiciële vraag:

Dient – in geval van een verzoek ex artikel 195a Rv – ‘de zaak’ in artikel 197 lid 1, eerste volzin Rv te worden uitgelegd als de zaak tussen verzoeker en de (beoogde) wederpartij van verzoeker in de (nog aanhangig te maken) bodemprocedure of de zaak tussen verzoeker en de derde?