Gepubliceerd op donderdag 8 oktober 2026
IEF 23911
Rechtbank Amsterdam ||
7 okt 2026,
Rechtbank Amsterdam 7 okt 2026,, IEF 23911; ECLI:NL:RBAMS:2026:9874 ([eisende partij] tegen Moonlight c.s.), https://www.ie-forum.nl/artikelen/rechtbank-amsterdam-vorderingen-over-exploitatie-inkomsten-en-gegevens-van-muzieknummers-afgewezen

Rechtbank Amsterdam: vorderingen over exploitatie-inkomsten en -gegevens van muzieknummers afgewezen

Rb. Amsterdam 7 oktober 2026, IEF 23911; ECLI:NL:RBAMS:2026:9874 ([eisende partij] tegen Moonlight c.s.). Een muziekproducent vordert van Moonlight Music en een zangeres onder meer afdracht van 50% van de exploitatie-inkomsten uit de nummers Vamos a la Playa en Bailando, evenals inzage in exploitatiegegevens van deze nummers en Slimando. Volgens de producent zijn partijen overeengekomen de inkomsten gelijk te verdelen en kan hij daarnaast aanspraak maken op het auteursrecht en de naburige rechten. De Rechtbank Amsterdam oordeelt dat de exploitatieovereenkomst uit 2010 in juni 2011 van rechtswege is geëindigd. De producent heeft onvoldoende onderbouwd dat partijen in 2013 hebben afgesproken de overeenkomst voort te zetten. Eventuele vorderingen tot nakoming van de oorspronkelijke overeenkomst zijn bovendien naar het toepasselijke Duitse recht verjaard. Ook de gestelde verdelingsafspraken uit 2017 en 2018 zijn onvoldoende onderbouwd. Uit de overgelegde correspondentie blijkt niet dat Moonlight Music c.s. heeft ingestemd met een gelijke verdeling van de exploitatie-inkomsten. De producent heeft daarmee niet voldaan aan zijn stelplicht en bewijslast.

Ook de auteursrechtelijke en nabuurrechtelijke grondslagen kunnen de vorderingen niet dragen. De rechtbank merkt de dagvaarding aan als een obscuur libel, omdat de contractuele en wettelijke grondslagen voortdurend door elkaar worden behandeld en onvoldoende duidelijk is waarop de vorderingen zijn gebaseerd. Hoewel de dagvaarding daarmee niet voldoet aan de minimale eisen van leesbaarheid en begrijpelijkheid, blijft nietigheid achterwege omdat Moonlight Music c.s. is verschenen en zich niet op de nietigheid heeft beroepen (artikel 122 Rv). Het pas tijdens de mondelinge behandeling aangevoerde beroep op artikel 7 lid 4 Wnr wordt verworpen, omdat gedaagden daarop niet meer hebben kunnen reageren. Bovendien volgt uit artikel 15 Wnr dat uitsluitend de daartoe aangewezen rechtspersoon aanspraak kan maken op de in artikel 7 Wnr bedoelde billijke vergoeding. Ook artikel 25c Aw biedt geen grondslag voor een billijke vergoeding, nu niet is gebleken van een overeenkomst waarbij de producent exploitatiebevoegdheden ten aanzien van zijn auteursrechten of naburige rechten aan Moonlight Music c.s. heeft verleend. De rechtbank wijst zowel de vorderingen in de hoofdzaak als die in het incident af. Hoewel de vorderingen deels op contractuele grondslagen berusten, wordt de procedure vanwege de verwevenheid met de IE-grondslagen volledig als IE-zaak aangemerkt. De producent wordt op grond van artikel 1019h Rv veroordeeld tot betaling van de volledige proceskosten van € 31.262,40. De rechtbank acht afwijking van de indicatietarieven gerechtvaardigd, omdat de onduidelijke dagvaarding en de omvangrijke, grotendeels irrelevante producties extra werkzaamheden voor de advocaten van gedaagden noodzakelijk maakten.

4.15.

In de dagvaarding is tot slot veel aandacht besteed aan de vraag of [eisende partij] kan worden aangemerkt als fonogrammenproducent of uitvoerend kunstenaar. Een duidelijke toelichting waarom hij als zodanig recht zou hebben op exploitatie-inkomsten en inzage in exploitatiegegevens ontbreekt echter. In plaats daarvan gaat [eisende partij] uitvoerig in op feiten en omstandigheden waaraan geen rechtsgevolgen zijn verbonden en haalt hij verschillende wetsartikelen aan waarvan onduidelijk is hoe deze samenhangen met de vorderingen. Artikel 21 Aw is daarvan een sprekend voorbeeld: die bepaling biedt bescherming aan een geportretteerde tegen ongewenste openbaarmaking van het portret en houdt dus geen verband met de feiten in deze zaak. De overlegging van 67 producties, die samen honderden pagina’s beslaan en grotendeels niet relevant zijn voor de vorderingen, maakt dat de dagvaarding nog moeilijker te volgen is. In sommige producties, zoals 22 en 31, staat bovendien niet wat [eisende partij] stelt dat daarin staat, hetgeen in strijd is met artikel 21 Rv.

4.16.

Vanwege de vele uitweidingen over irrelevante omstandigheden (waaronder diverse muzieknummers en remixen, zie 4.1) en het voortdurend door elkaar bespreken van contractuele en wettelijke grondslagen was het op basis van de dagvaarding voor gedaagden onduidelijk waartegen zij verweer moeten voeren en voor de rechtbank waaraan zij de vorderingen moet toetsen. De dagvaarding voldoet daarmee niet aan de minimale eisen van leesbaarheid en begrijpelijkheid is aan te merken als een obscuur libel. Ingevolge artikel 111 lid 2 onder d en artikel 120 Rv lid 1 is een dergelijke dagvaarding nietig. Aangezien Moonlight c.s. is verschenen in deze procedure en geen beroep gedaan heeft gedaan op nietigheid van de dagvaarding, heeft het niet voldoen aan de minimale eisen van leesbaarheid en begrijpelijkheid echter geen verdere gevolgen (artikel 122 Rv).

4.17.

Tijdens de mondelinge behandeling zijn de auteursrechtelijke grondslagen van de vorderingen besproken en is daarover uiteindelijk wel enige duidelijkheid gekomen. Desgevraagd heeft de advocaat van [eisende partij] toegelicht dat een fonogrammenproducent op grond van artikel 7 lid 4 Wnr aanspraak zou kunnen maken op 50% van exploitatie-inkomsten. Dit artikel komt echter in de dagvaarding in het geheel niet voor en is pas tijdens de tweede termijn van de mondelinge behandeling, na een expliciete vraag van de rechter, voor het eerst door de advocaat van [eisende partij] genoemd. Moonlight c.s. heeft daardoor geen gelegenheid meer gehad om hierop te reageren, zodat het beroep op dit artikel reeds daarom moet worden verworpen. Het beroep op dit artikel kan [eisende partij] overigens hoe dan ook niet baten. Artikel 15 Wnr bepaalt namelijk dat de betaling van een in artikel 7 Wnr bedoelde vergoeding dient te geschieden aan een door “Onze Minister van Justitie en Veiligheid aan te wijzen representatieve rechtspersoon die met uitsluiting van anderen met de inning en verdeling van deze vergoeding is belast”. Slechts deze rechtspersoon kan dus (ten behoeve van uiteindelijk rechthebbenden) op grond van dit artikel aanspraak maken op een billijke vergoeding.

4.18.

Ook werd tijdens de mondelinge behandeling pas duidelijk dat met de onder I en II in de hoofdzaak (zie 3.1) en onder C in het incident (zie 3.3) gevorderde afdracht van 50% van exploitatie-inkomsten uit ‘Vamos a la Playa’ en ‘Bailando’ (ook) is bedoeld een billijke vergoeding in de zin van artikel 25c Aw. Deze bepaling is echter ook niet relevant voor dit geschil, want niet van toepassing op de rechtsverhouding tussen Moonlight c.s. en [eisende partij] . Voor toepassing van deze bepaling moet sprake zijn van een overeenkomst waarbij een maker of uitvoerend kunstenaar de exploitatiebevoegdheid ten aanzien van zijn auteursrecht of naburig recht aan de wederpartij heeft verleend (artikel 25b Aw en 2b Wnr). Ingevolge artikel 2 lid 3 Aw moet een dergelijke overeenkomst schriftelijk zijn aangegaan. Anders dan [eisende partij] stelt, is in de overeenkomst van 1 juni 2010 niet te lezen dat [eisende partij] überhaupt maker of uitvoerend kunstenaar van ‘Vamos a la Playa’ is (hij levert op grond van deze overeenkomst “recording services” aan [verweerder 2] (de “artist”)) en dus al helemaal niet dat hij exploitatiebevoegdheden inzake deze rechten heeft verleend aan [verweerder 2] . Een andere schriftelijke overeenkomst die de verlening van exploitatiebevoegdheden inhoudt heeft [eisende partij] niet overgelegd. Zoals Moonlight c.s. terecht heeft aangevoerd, is er dus geen overeenkomst waarbij [eisende partij] auteurs- of naburige rechten aan haar heeft overgedragen, zodat ook een beroep op artikel 25c Aw [eisende partij] niet kan baten.

4.22.

Moonlight c.s. heeft veroordeling van [eisende partij] in de kosten van deze procedure gevorderd op de voet van artikel 1019h Rv. Dat artikel bepaalt dat de in het ongelijk gestelde partij desgevorderd wordt veroordeeld in redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten die de in het gelijk gestelde partij heeft gemaakt, tenzij de billijkheid zich daartegen verzet. De rechtbanken hanteren in de regel indicatietarieven als praktisch handvat om de redelijkheid en evenredigheid van gemaakte proceskosten te beoordelen. In de versie van 1 februari 2026 van de Indicatietarieven in IE-zaken is het maximale tarief voor een bodemzaak vastgesteld op € 42.000 en voor een incident op € 6.000. Deze indicatietarieven behelzen echter slechts de rechter niet bindende richtlijnen, zodat daarvan kan worden afgeweken als de omstandigheden van het afzonderlijke geval daarom vragen.2 De rechtbank ziet aanleiding in dit geval van de richtlijnen af te wijken. Dit wordt hierna toegelicht.

4.23.

In de proceskostenspecificatie die Moonlight c.s. heeft overgelegd is te lezen dat zij in totaal € 31.262,40 aan proceskosten heeft gemaakt, waarvan € 16.162,35 is toe te rekenen aan de hoofdzaak en € 15.100,05 aan het incident. Moonlight c.s. merkt daarbij op dat de aan de hoofdzaak toegerekende kosten aanzienlijk lager zijn uitgevallen doordat de argumenten die zij naar voren moest brengen in het kader van haar verweer in het incident, in belangrijke mate ook het verweer in de hoofdzaak uitmaken. Zij vordert daarom vergoeding van de volledige proceskosten van het incident. [eisende partij] heeft aangevoerd dat niet alle kosten verband houden met intellectueel eigendom en dat het niet duidelijk is voor welke kosten dat wel en niet geldt, zodat in ieder geval voor een deel van de proceskosten het liquidatietarief moet worden toegepast. Verder zijn de door Moonlight c.s. opgevoerde kosten en de inzet van een tweede advocaat volgens [eisende partij] onevenredig.

4.24.

Ondanks de gemengde grondslagen van de vorderingen, wordt deze zaak in zijn geheel aangemerkt als een IE-zaak. De reden hiervoor is dat de dagvaarding is doordesemd met verwijzingen naar de Auteurswet en de Wet naburige rechten en de contractuele en auteursrechtelijke grondslagen volledig door elkaar heenlopen. Een splitsing van de zaak in een intellectuele-eigendomsdeel en een ‘normaal’ deel is daardoor ondoenlijk. Verder bestaat aanleiding om de volledige proceskosten toe te wijzen, ook voor zover de proceskosten van het incident het maximale tarief van € 6.000 uit de Indicatietarieven in IE-zaken overstijgen. Zoals hiervoor onder 4.15 en 4.16 is overwogen, bevat de dagvaarding vele uitweidingen over irrelevante omstandigheden, met verwijzingen naar honderden pagina’s aan producties, en voldoet zij niet aan de minimale eisen van leesbaarheid en begrijpelijkheid. Dat maakt dat de advocaten van Moonlight c.s. logischerwijs meer dan de gebruikelijke tijd nodig hebben gehad om de stellingen van [eisende partij] te doorgronden en daartegen verweer te voeren. Dat heeft overigens geresulteerd in relatief beknopte processtukken met een helder en overzichtelijk verweer aan de zijde van Moonlight c.s. In dit kader verdient bovendien opmerking dat de eigen proceskosten die de advocaat van [eisende partij] zijn cliënt in rekening heeft gebracht anderhalf keer zo hoog zijn als de proceskosten waarvan Moonlight c.s. vergoeding vordert, zo blijkt uit de akte aanvulling productie 67 van [eisende partij] (zie 1.2).