21 aug 2026,
Rb. Den Haag: geen herstel proceskostenveroordeling voor niet gevorderde btw in IE-kort geding
Rb. Den Haag 21 augustus 2026, IEF 23838; ECLI:NL:RBDHA:2026:24085 ([eiseres] tegen CPD en [gedaagde]). De voorzieningenrechter wijst een verzoek af om een eerder vonnis te verbeteren op grond van artikel 31 lid 1 Rv. In het oorspronkelijke kortgedingvonnis waren de proceskosten in een IE-zaak vastgesteld aan de hand van de Indicatietarieven in IE-zaken, waarbij voor beide gedaagden € 18.000 aan salaris advocaat was begroot, exclusief btw. De gedaagden verzochten vervolgens om toevoeging van de btw, omdat die opslag volgens hen abusievelijk niet in het dictum was opgenomen. Volgens de voorzieningenrechter is echter geen sprake van een kennelijke rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent. Van zo’n fout is alleen sprake wanneer direct duidelijk is dat een vergissing is gemaakt.
De voorzieningenrechter wijst erop dat volgens de Indicatietarieven in IE-zaken de daarin genoemde bedragen exclusief btw zijn en alleen rekening wordt gehouden met btw wanneer een partij deze niet kan verrekenen met de eigen btw-aangifte. Wie vergoeding van btw verlangt, moet bovendien bij de proceskostenspecificatie onderbouwen waarom btw verschuldigd is. De gedaagden hadden in hun processtukken geen aanspraak gemaakt op vergoeding van btw en evenmin onderbouwd waarom btw voor hen niet verrekenbaar was. Dat in het eerdere vonnis het salaris advocaat op € 18.000 exclusief btw was begroot, betekent daarom niet dat dit bedrag automatisch met btw moet worden verhoogd. Het ontbreken van een btw-vergoeding berust dus niet op een kennelijke fout, zodat het verzoek tot verbetering wordt afgewezen.
2.1.
Op grond van artikel 31 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering verbetert de rechter te allen tijde, op verzoek van een partij of ambtshalve, in zijn vonnis een kennelijke rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent. Dit is het geval als het gaat om duidelijke verschrijvingen of fouten waarvan direct duidelijk is dat sprake is van een vergissing.
2.2.
De voorzieningenrechter oordeelt dat in het vonnis van 30 juli 2026 (hierna: het Vonnis) geen sprake is van een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent. Hiertoe is het volgende redengevend.
2.2.1.
In het Vonnis zijn de proceskosten vastgesteld aan de hand van de Indicatietarieven in IE-zaken1. In de Indicatietarieven is onder 3. bepaald dat de indicatietarieven exclusief btw zijn en dat alleen rekening wordt gehouden met btw indien een partij deze niet kan verrekenen met de eigen btw-aangifte. Indien een partij aanspraak maakt op vergoeding van btw moet zij bij haar proceskostenspecificatie een onderbouwing in te dienen waarom btw verschuldigd is (zie Indicatietarieven onder 5c.).
2.2.2.
CPD en [gedaagde] hebben in hun processtukken geen aanspraak gemaakt op vergoeding van btw en zij hebben ook geen onderbouwing ingediend waarom btw verschuldigd zou zijn.
2.2.3.
In het Vonnis is het bedrag voor de vergoeding van het salaris advocaat voor beide gedaagden begroot op € 18.000 (exclusief btw). Hiermee is tot uitdrukking gebracht dat in dit bedrag geen rekening is gehouden met de btw. Hieruit volgt niet dat dit bedrag alsnog moet worden vermeerderd met btw.
2.3.
Dat er geen btw is toegewezen berust dus niet op een (kennelijke) fout. De voorzieningenrechter zal het verzoek tot verbetering van het Vonnis dan ook afwijzen.