11 sep 2026,
Rb. Amsterdam: vervalste merkartikelen wegen mee bij sluiting tweedehandswinkel
Rb. Amsterdam 11 september 2026, IEF 23861; ECLI:NL:RBAMS:2026:9159 (verzoekster tegen de burgemeester). De burgemeester van Aalsmeer heeft het voor publiek toegankelijke pand waarin verzoekster een tweedehandswinkel exploiteert voor drie maanden gesloten op grond van art. 2:49a lid 1 onder d en e APV Aalsmeer 2026. Tijdens een integrale controle waren in het magazijn onder meer stroomstootwapens, stiletten, pepperspray, dolken, een katapult, op vuurwapens gelijkende voorwerpen en munitie aangetroffen. Daarnaast werden goederen gevonden die volgens de politie verband hielden met beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt. In het winkelgedeelte en een afzonderlijke ruimte werden verder artikelen van onder meer Hugo Boss, Lacoste, Louis Vuitton, Rolex en TAG Heuer aangetroffen die door deskundigen van React als vervalst zijn aangemerkt. De voorzieningenrechter oordeelt dat de burgemeester vanwege de aangetroffen verboden wapens in beginsel bevoegd was het pand te sluiten op grond van art. 2:49a lid 1 onder d APV. Ook kon de burgemeester zich op grond van onderdeel e op het standpunt stellen dat het geopend blijven van het bedrijf een ernstig gevaar voor de openbare orde opleverde. Daarbij weegt de voorzieningenrechter onder meer mee dat eerder verboden goederen waren aangetroffen en dat verzoekster onvoldoende kon toelichten welke maatregelen waren getroffen om te voorkomen dat verboden goederen in handen van klanten zouden komen. Dat niet aannemelijk is geworden dat verzoekster bewust in verboden goederen handelde, neemt die bevoegdheid niet weg.
De voorzieningenrechter acht de sluiting bovendien geschikt en noodzakelijk. De maatregel dient niet alleen om overtredingen te beëindigen, maar ook om de openbare orde te herstellen, herhaling te voorkomen en het vertrouwen in de naleving van de regelgeving te herstellen. De burgemeester hoefde niet met een minder ingrijpende maatregel, zoals een waarschuwing of last onder dwangsom, te volstaan. Daarbij speelt mee dat aan de bedrijfsvoering van verzoekster het risico is verbonden dat tussen opgekochte inboedels en opslagboxen verboden goederen worden aangetroffen, terwijl onvoldoende maatregelen waren genomen om dat risico te beheersen. Het sorteercentrum, waar geen verboden goederen waren aangetroffen, wordt uiteindelijk buiten de sluiting gehouden. Daardoor is de financiële impact beperkter. De voorzieningenrechter acht de sluiting van de winkel en het magazijn voor drie maanden vooralsnog evenwichtig en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Het besluit is daarmee niet langer geschorst en de burgemeester mag tot sluiting overgaan.
6.1.
In het pand van verzoekster zijn meerdere verboden wapens aangetroffen zoals onder overweging 3.1.1. opgesomd. Verzoekster stelt dat niet deugdelijk en controleerbaar is vastgesteld dat het inderdaad om verboden wapens gaat. De voorzieningenrechter volgt verzoekster hierin niet. Het proces-verbaal waaruit blijkt dat het gaat om wapens die verboden zijn gesteld in de Wwm is op ambtseed opgemaakt door een verbalisant die bevoegd is om in beslag genomen wapens, niet zijnde vuurwapens, te benoemen, beschrijven en te categoriseren. De burgemeester mag uitgaan van dit op ambtseed opgemaakt proces-verbaal. Verzoekster heeft ook geen concrete aanwijzingen aangedragen om te twijfelen aan de bevindingen van deze verbalisant. De gevaarzetting van deze wapens is nader omschreven in de bestuurlijke rapportage. Gelet op het aantreffen van de wapens is de burgemeester in beginsel al bevoegd tot sluiting op grond van artikel 2.49a, eerste lid, onder d van de APV. De burgemeester heeft zich verder ook op het standpunt kunnen stellen dat het openblijven van het bedrijf een gevaar oplevert voor de openbare orde. Naast de wapens zijn ook andere verboden goederen aangetroffen, zoals aan hennepteelt gerelateerde goederen en illegale vapes. Dat de goederen niet voor verkoop bedoeld waren en in het magazijn, ook wel de uitpakruimte, lagen maakt niet dat er geen sprake is van een gegronde vrees. De burgemeester heeft voldoende toegelicht de winkel en het magazijn als één ruimte te beschouwen; het magazijn is immers niet zodanig afgesloten dat klanten er geen toegang toe hebben. De anonieme meldingen bevatten aanwijzingen dat er gehandeld wordt in verboden goederen. Hoewel de voorzieningenrechter, anders dan de burgemeester, niet aannemelijk acht dat de verboden goederen bestemd zijn voor verkoop en daarin bewust wordt gehandeld, is de vrees voor openbare orde schendingen alsnog gegrond. De voorzieningenrechter komt tot dit oordeel omdat verzoekster op de zitting niet kon toelichten wat voor maatregelen er zijn getroffen om te zorgen dat dergelijke verboden goederen niet in handen van klanten terecht komen. Ook kon niet worden toegelicht of onderbouwd of er instructies zijn voor medewerkers hoe met het vinden van verboden goederen wordt omgegaan, hoe lang deze in het magazijn liggen en hoe er toezicht wordt gehouden. In combinatie met het feit dat al eerder verboden goederen zijn aangetroffen, er dus sprake is van recidive, en ook de overige overtredingen die zijn geconstateerd, levert dit een gegronde vrees op in de zin van artikel 2.49a, eerste lid, onder e van de APV.
7.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester heeft kunnen oordelen dat de sluiting een geschikt middel is voor het doel dat de burgemeester voor ogen heeft. Dat de verboden goederen in beslag zijn genomen, maakt dit niet anders. De sluiting is immers niet enkel bedoeld om een overtreding te beëindigen, maar is juist bedoeld tot herstel van de openbare orde, het wegnemen van de bekendheid van het pand als locatie waar illegale activiteiten hebben plaatsgevonden en het voorkomen van herhaling. Met de sluiting kan het vertrouwen in de naleving van de geldende regelgeving door verzoekster worden hersteld.