IEF 18854

Publicatie van vertalingen is verveelvoudiging van werk van auteur

Hof Amsterdam 29 oktober 2019, IEF 18854; ECLI:NL:GHAMS:2019:3889 (Auteur tegen uitgever) Appellante is kunsthistorica en gespecialiseerd in (het werk van) Piet Mondriaan. Geïntimeerde geeft kunstboeken uit. Appellante en geïntimeerde zijn een overeenkomst aangegaan op grond waarvan appellante verplicht is tegen vergoeding een bijdrage te leveren aan enkele boeken over Mondriaan. In de overeenkomst is een boetebeding opgenomen, op grond waarvan geïntimeerde voor elke schending van de overeengekomen regelingen omtrent het auteursrecht van appellante en de naamsvermelding een gefixeerde boete is verschuldigd van 10.000 euro onverminderd het recht op schadevergoeding. Appellante heeft een essay geschreven, waarvan onder andere een Duitse en Engelse editie verschenen, zonder dat geïntimeerde de vertaalde versies voorafgaand aan de publicatie aan appellante heeft voorgelegd. Appellante tracht de boetes op grond van haar leveringsvoorwaarden af te dwingen en geïntimeerde aansprakelijk te stellen op grond van diverse schendingen van haar auteursrecht. In de onderhavige uitspraak wordt de vordering uit hoofde van het boetebeding toegewezen, terwijl de schadevergoedingsvordering wordt afgewezen. Dit omdat het publiceren van vertalingen ook onder het verveelvoudigen van het werk valt waarmee appellante niet heeft ingestemd.

3.4.4 Het publiceren van de vertalingen in het Engels en in het Frans van De Ateliers is een verveelvoudiging waarmee [appellante] niet had ingestemd en dus een overtreding van art. XIII sub 4, waarop lid 10 van die bepaling een boete van € 10.000 stelt.

Het hof is echter met [geïntimeerde] van oordeel, dat het hier niet gaat om twee maal vijf overtredingen, maar slechts om twee overtredingen. Het gaat hier om vijf korte bijdragen aan één boek. Art. XIII sub 4 moet zo worden uitgelegd dat het uitgeven van dat boek in het Engels één overtreding oplevert, en in het Frans nog een. Partijen hebben niet over de separate bijdragen onderhandeld, maar over alle vijf de stukken samen; de vergoeding is afgesproken voor de gezamenlijke stukken. In beginsel had de inhoud van deze stukken ook in één tekst kunnen worden afgedrukt; dat het om vijf stukken gaat is een gevolg van de manier waarop het boek is ingericht. Daaraan doet niet af dat elke tekst op zichzelf een auteursrechtelijk beschermd werk kan vormen; partijen hebben die teksten zo niet beschouwd.

Met de uitleg dat slechts sprake is van twee overtredingen is ook het doel van de bepaling, het voorkomen van vermenigvuldiging buiten de overeengekomen bestemming en oplage, voldoende veiliggesteld.

Dat betekent, dat voor de vertalingen van De Ateliers in beginsel in totaal een boete van € 20.000 is verbeurd.

3.4.5 Ook als het gaat om de Engelse vertaling van Leven en Werk heeft [geïntimeerde] in zoverre gelijk, dat hij weliswaar wanprestatie heeft gepleegd, maar niet een overtreding van art. XIII sub 5. De onderdelen 4 en 5 van art. XIII beogen samen een regime in het leven te roepen waar verveelvoudiging slechts geschiedt met instemming van de auteur en nadat een licentievergoeding is overeengekomen. Het gaat hier om exploitatie-, niet om persoonlijkheidsrechten. Tegen die achtergrond is het uitgeven van de Engelse vertaling van Leven en Werk een verveelvoudiging waarvoor [appellante] toestemming had gegeven en waarvoor ook een licentievergoeding is overeengekomen en betaald, zodat art. XIII sub 4 en 5 niet zijn overtreden en dus geen boete op grond van art. XIII sub 10 verschuldigd is. Dat de vertaling in de ogen van [appellante] tekort schiet doet daaraan niet af.

3.6.3 De uitleg van de boeteclausule leidt in dit geval tot verschuldigdheid van

€ 20.000. Met matiging van dit soort boetes dient behoedzaam te worden omgesprongen. Slechts in sprekende gevallen van evidente onredelijkheid, alle omstandigheden in aanmerking genomen, dient te worden ingegrepen. [geïntimeerde] meent dat daarvoor voldoende grond bestaat. Als omstandigheden heeft [geïntimeerde] hier gewezen op de wijze waarop hij in de projecten stond; het was een liefhebberij na zijn pensionering, waarmee hij nauwelijks inkomsten genereerde. De boetes staan buiten elke gezonde verhouding tot de resultaten van de projecten, zeker als rekening wordt gehouden met het honorarium dat [appellante] al heeft ontvangen. Voorts is van belang dat hoge boetes in deze branche ongebruikelijk zijn en dat de contacten met [appellante] steeds zeer vriendschappelijk zijn geweest.

[…]

3.7.3 De vierde en laatste post ziet op het ontbreken van de naam van [appellante] bij twee bijdragen. Art. XIII voorziet sub 11 in de verplichting dat de naam van de auteur wordt genoemd. De sub 10 voorziene boete is daarop niet gesteld. Voor het overige is omtrent het ontbreken van de naam door [geïntimeerde] gesteld dat de naam van [appellante] in de boeken veelvuldig en prominent vermeld is en dat de aanvankelijke klachten van [appellante] op dat punt, door de uitgevers, zijn opgelost. Tegen die achtergrond had het op de weg van [appellante] gelegen om haar vordering nader toe te lichten en te onderbouwen. Nu zij dat heeft nagelaten komt deze post niet voor vergoeding in aanmerking.