IEF 19704

Profiteren van verkoopdebiet niet onrechtmatig

Hof Den Haag 15 december 2020, IEF 19704; ECLI:NL:GHDHA:2020:2473 (X tegen Y) Appellante exploiteert een kledingwinkel in Rotterdam. In de winkel wordt kleding aangeboden van verschillende merken uit het hogere segment. Vanaf 2011 verkocht ook herenkleding van het merk van geïntimeerde, gevestigd in Zwitserland. In december 2014 heeft appellante vernomen dat geïntimeerde geen nieuwe orders meer zal accepteren. Appellante heeft geïntimeerde daarop gedagvaard en gevorderd dat geïntimeerde zal worden veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding tot een bedrag van € 515.076,-. Ten grondslag aan de vordering stelt appellante dat geïntimeerde zonder aankondiging en zonder een gegronde reden de distributieovereenkomst heeft beëindigd. In eerste aanleg stel appellante hierdoor schade te hebben geleden, aangezien zij veel geld en energie heeft geïnvesteerd in het promoten van de kleding van het merk van geïntimeerde. Geïntimeerde stelt dat de relatie rechtsgeldig is opgezegd. Geoordeeld wordt dat het geïntimeerde vrij stond om geen nieuwe koopovereenkomsten te sluiten, dit is op zichzelf niet onrechtmatig. Dat geïntimeerde mogelijk profijt heeft gehad van het door appellante opgebouwde verkoopdebiet kan het gevolg zijn van één en ander, maar is daarmee  evenmin onrechtmatig. 

12.1. Grief V bevat een klacht over de weergave van feiten in r.o. 2.2.2., 3.4.3. en 3.9.6. van het vonnis. Volgens [appellante] is de rechtbank er ten onrechte van uit gegaan dat naast [appellante] nog zeven andere winkels in de Rotterdamse regio [geïntimeerde] producten verkochten die ook allemaal hebben bijgedragen aan het verkoopdebiet. [appellante] betwist het aantal genoemde winkels, en stelt dat voor de bijdrage aan het verkoopdebiet alleen de verkoop van herenkleding relevant is. Alleen Donna Guy verkocht herenkleding van [geïntimeerde], de andere winkels verkochten andere producten en moeten volgens [appellante] daarom voor de opbouw van het verkoopdebiet buiten beschouwing blijven. Grief XIII richt zich tegen het oordeel van de rechtbank in r.o. 3.9.6. en 3.10. van haar vonnis dat het aannemelijk is dat [geïntimeerde] aanmerkelijk meer heeft bijgedragen aan haar eigen (merk)naamsbekendheid dan [appellante] heeft gedaan. Betoogd wordt dat het bedrijfsdebiet van [appellante] een substantiële waarde heeft, welk bedrijfsdebiet door [geïntimeerde] is ‘geherstructureerd’ over andere winkels, in het bijzonder haar eigen monobrandstore. Hiervan heeft [geïntimeerde] een duidelijk en ongerechtvaardigd voordeel, terwijl [appellante] voorgoed dat bedrijfsdebiet heeft verloren. De rechtbank vergelijkt ten onrechte de merkinspanningen van [geïntimeerde] als internationaal concern met de regionale inzet van [appellante] gericht op haar bedrijfsdebiet. [appellante] stelt dat zij schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van [geïntimeerde], althans dat zij ter zake ongerechtvaardigd is verarmd.

12.2. Het hof verwerpt deze grieven. Zoals het hof eerder in dit arrest heeft overwogen en beslist, stond het [geïntimeerde] in beginsel vrij om geen nieuwe koopovereenkomsten meer met [appellante] te sluiten. Dat [geïntimeerde] de verkooprelatie met [appellante] heeft beëindigd is op zichzelf dan ook niet onrechtmatig. Ook het opzetten van een nieuwe monobrandstore in Rotterdam, al dan niet in franchisevorm, stond [geïntimeerde] vrij en is niet onrechtmatig, ook niet in combinatie met het beëindigen van de handelsrelatie met [appellante]. Dat de monobrandstore door deze gang van zaken mogelijk profijt heeft gehad van het door [appellante] opgebouwde verkoopdebiet in de regio Rotterdam kan het gevolg zijn van één en ander, maar is daarmee op zichzelf evenmin onrechtmatig. Van ongerechtvaardigde verrijking van [geïntimeerde] is onder deze omstandigheden evenmin sprake.