IEF 20155

Proceskosten na afstand Nederlands deel octrooi

Rechtbank Den Haag 18 augustus 2021, IEF 20155; ECLI:NL:RBDHA:2021:9247 (Alcon tegen Amo) Zoals in het vonnis van 31 maart 2021 is overwogen [ECLI:NL:RBDHA:2021:9369], heeft Amo afstand gedaan van het Nederlandse deel van het Europese octrooi EP 1 835 861 B1. In de nietigheidsprocedure tegen Alcon is het resterende geschilpunt nu de proceskosten. Het octrooi wordt door afstandshandeling geacht nooit te hebben bestaan. Hierdoor zou Alcon, aangezien haar vorderingen niet gegrond kunnen worden verklaard, in beginsel proceskosten moeten voldoen. Amo heeft pas na betekening van de dagvaarding afstand gedaan van het octrooi. Dit kan aanleiding geven om Amo voor de kosten op te laten draaien. De rechtbank ziet echter geen reden waarom Alcon Amo niet op de hoogte kon stellen van de procedure, zodat Amo afstand kon doen van het octrooi om verdere geschillen te voorkomen. Alcon wordt dan ook als ongelijk gestelde partij veroordeeld tot de proceskosten. 

2.3. Amo stelt dat Alcon cs haar rauwelijks heeft gedagvaard zonder haar in de gelegenheid te stellen vrijwillig aan de vorderingen van Alcon cs te voldoen. Het staat Alcon cs uiteraard vrij een wederpartij te dagvaarden zonder die gelegenheid te bieden, maar dat kan wel betekenen dat proceskosten die daardoor door de wederpartij nodeloos worden gemaakt, door haar vergoed moeten worden. Vaststaat dat Alcon cs Amo niet met een sommatie heeft geïnformeerd over haar voornemen om Amo te dagvaarden. Voor zover Alcon cs heeft bedoeld te betogen dat zij op basis van de brief van 24 maart 2020 van Johnson & Johnson Surgical Vision Inc (hierna J&J), de moedervennootschap van octrooihoudster Amo, aan ‘Alcon’ – bedoeld is waarschijnlijk Alcon Inc; de brief is niet overgelegd - ervan mocht uitgaan dat Amo geen afstand zou doen van het Nederlandse deel van het octrooi, zodat zij Amo niet op de hoogte hoefde te stellen van haar voornemen een nietigheidsprocedure te starten, gaat de rechtbank aan dit betoog voorbij. Partijen zijn het erover eens dat J&J op 24 maart 2020 een brief aan ‘Alcon’ heeft gestuurd waarin zij stelt dat ‘Alcon’ inbreuk maakt op een aantal Amerikaanse octrooien en het octrooi (waarvan Amo houdster is/was). Een dergelijke algemene waarschuwingsbrief, zonder territoriaal voorbehoud, maakt niet dat Alcon cs er zonder meer van mocht uitgaan dat J&J / Amo in alle landen waar de desbetreffende octrooien gelden deze octrooien (actief) zal/zullen handhaven of overeind zullen houden. De rechtbank ziet niet in waarom Alcon cs niet, ter vermijding van nodeloze procedures en kosten, Amo op de hoogte kon stellen van haar voornemen een nietigheidsprocedure in Nederland te starten, zodat Amo in de gelegenheid was afstand te doen van het Nederlandse deel van het octrooi (zoals zij nu na dagvaarding ook heeft gedaan). Dat geldt temeer nu Amo onbetwist heeft gesteld dat tussen J&J en Alcon Inc, in het kader van een schikking in een niet gerelateerd dispuut, de verplichting is afgesproken elkaar op de hoogte te stellen als zij een octrooizaak tegen elkaar overwegen.