IEF 20259

Prejudiciële vragen over reproductie voor privégebruik

Oberster Gerichtshof 22 september 2021, IEF 20259, IEFbe 3299; C-426/21 (Seven.one en Puls 4 tegen Ocilion IPTV) Verzoekers in deze zaak zijn beide televisieproducenten. De programma's die zij maken worden aangeboden door verweerder aan commerciële klanten door middel van rechtstreekse hosting, of met hulpmiddelen van verweerder. Het geschil spitst zich toe op de vraag hoe "reproductie voor privégebruik" in de zin van artikel 5 lid 2 onder b van de richtlijn auteursrecht moet worden geïnterpreteerd. Verzoekers beweren dat bij het online-video-opnemen door verweerder "masterkopieën" gemaakt worden en dat deze worden gedistribueerd aan commerciële klanten. Daarnaast is er een geschil over het concept “mededeling aan het publiek” in de zin van artikel 3, lid 1 van de richtlijn. Hier worden enkele prejudiciële vragen over gesteld. 

Prejudiciële vragen:

1. Is een nationale bepaling verenigbaar met het Unierecht wanneer zij op grond van artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (PB 2001, L 167, blz. 10) het gebruik van een door een commerciële aanbieder beschikbaar gestelde online-videorecorder toestaat die

a) door toepassing van de deduplicatietechniek niet van elke opname die door een gebruiker wordt geïnitieerd een afzonderlijke kopie van de geprogrammeerde programma-inhoud maakt, maar wanneer de betrokken inhoud reeds is opgeslagen op initiatief van een gebruiker die deze inhoud als eerste heeft opgenomen, louter – ter vermijding van redundante gegevens – een referentie aanbrengt waardoor de volgende gebruiker toegang kan krijgen tot de reeds opgeslagen inhoud;

b) is voorzien van een herhalingsfunctie door middel waarvan het volledige programma-aanbod van alle gekozen tv-zenders de klok rond wordt opgenomen en gedurende zeven dagen op afroep beschikbaar wordt gesteld, voor zover de gebruiker daartoe in het menu van de online-videorecorder eenmalig het vakje bij de gewenste zenders aanklikt, en

c) de gebruiker (ofwel ingebed in een cloud-dienst van de aanbieder ofwel in het kader van de door de aanbieder beschikbaar gestelde on premises IPTVtotaaloplossing) ook toegang verschaft tot beschermde programma-inhoud zonder toestemming van de rechthebbenden?

2. Moet het begrip „mededeling [...] aan het publiek” in artikel 3, lid 1, van [richtlijn 2001/29] aldus worden uitgelegd dat een dergelijke mededeling wordt gedaan door een commerciële aanbieder van een (on premises) IPTVtotaaloplossing in het kader waarvan hij, naast soft- en hardware voor de ontvangst van tv-programma’s via het internet, ook technische ondersteuning biedt en de dienst voortdurend aanpast, met dien verstande dat de dienst geheel op de infrastructuur van de klant wordt uitgevoerd, waarbij aan de gebruiker niet alleen programma-inhoud beschikbaar wordt gesteld met het online-gebruik waarvan de betrokken rechthebbenden hebben ingestemd, maar ook beschermde inhoud waarvoor die toestemming niet is verkregen, en de aanbieder

a) invloed kan uitoefenen op de tv-programma’s die door de eindgebruikers via de dienst kunnen worden ontvangen,

b) weet dat zijn dienst ook de ontvangst van beschermde programma-inhoud mogelijk maakt zonder toestemming van de rechthebbenden, doch

c) geen reclame maakt voor deze mogelijkheid tot ongeoorloofd gebruik van zijn dienst – wat een belangrijke stimulans zou zijn voor de aankoop van het product –, maar zijn klanten er integendeel bij het sluiten van de overeenkomst op wijst dat zij de rechten op eigen verantwoordelijkheid moeten zien te verkrijgen, en

d) door zijn activiteit geen bijzondere toegang biedt tot programma-inhoud die zonder zijn toedoen niet of slechts moeilijk kan worden ontvangen?