IEF 20133

Prejudiciële vraag over de uitleg van artikel 10 van de Richtlijn 2004/48

Hooggerechtshof Polen 7 juni 2021, IEF 20133, IEFbe 3262; C-355/21–1 (Procter & Gamble tegen Perfumesco)  De verzoekende partij Procter & Gamble is producent van parfum en krachtens een licentieovereenkomst merkhouder van Hugo Boss. Perfumesco is een groothandel in onder andere parfum en verkoopt zogenaamde demonstratieproducten van het merk Hugo Boss. De Poolse rechter heeft de verordering van verzoeker tot vernietiging van de producten van Perfumesco toegewezen, omdat deze zonder de toestemming van P & G in de handel zijn gebracht. Daarnaast waren de verpakkingen beschadigd, wat de naam en het exclusieve karakter van Hugo Boss in diskrediet brengt. Bijgevolg hebben de genoemde rechterlijke instanties aangenomen dat de regeling van nationaal recht niet strijdig met het Unierecht in ruime zin mag zijn en dat de vernietiging van de waren ook moet worden gelast wanneer deze niet op onrechtmatige wijze door de eigenaar zijn vervaardigd of gemerkt.In dat verband is het in de prejudiciële vraag aan de orde zijnde vraagstuk gerezen, namelijk of artikel 10 van richtlijn 2004/48 zich verzet tegen de uitlegging van een bepaling van nationaal recht, die de mogelijkheid tot het gelasten van de vernietiging van waren beperkt tot waren die op onrechtmatige wijze zijn vervaardigd of gemerkt. 

Prejudiciële vraag
Moet artikel 10 van richtlijn 2004/48/EG betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen de uitlegging van een nationale bepaling volgens welke een beschermende maatregel bestaande in de vernietiging van waren enkel van toepassing is op de waren die op onrechtmatige wijze zijn vervaardigd of gemerkt en niet van toepassing is op waren die op onrechtmatige wijze op het grondgebied van de Europese Economische Ruimte in de handel zijn gebracht en waarvan niet kan worden vastgesteld dat zij op onrechtmatige wijze zijn vervaardigd of gemerkt?