Gepubliceerd op maandag 2 maart 2026
IEF 23312
Hoge Raad ||
20 feb 2026
Hoge Raad 20 feb 2026, IEF 23312; ECLI:NL:PHR:2026:186 (Payingit B.V., Payingip B.V., NRD Holding B.V., CMC Holding B.V., [eiser 5], [eiser 6], eisers tot cassatie tegen Workrate Holding B.V.), https://www.ie-forum.nl/artikelen/payingit-workrate-impliciete-softwarelicentie-bij-overlappende-broncode

Uitspraak ingezonden door Jeroen Dijkman, HKD Advocaten; Polo van der Putt, Vondst Advocaten; en Vivien Rorsch, LaRorsch.

Payingit/Workrate: impliciete softwarelicentie bij overlappende broncode

Parket bij de Hoge Raad 20 februari 2026, IEF 23312, IT&R 5121; ECLI:NL:PHR:2026:186 (Payingit B.V., Payingip B.V., NRD Holding B.V., CMC Holding B.V., [eiser 5], [eiser 6], eisers tot cassatie tegen Workrate Holding B.V.). In de conclusie van het Parket staat een geschil centraal tussen Payingit c.s. (kopers) en Workrate (verkoper) over de uitleg van een koop- en licentieovereenkomst uit 2016 betreffende software. Workrate had drie softwarepakketten ontwikkeld: Workstate (voor beveiligingsprocessen), Workmate (later Usemate) en Academy. Deze applicaties vertoonden gedeeltelijke overlap in broncode, onder meer via gedeelde modules en interfaces. In 2016 verkochten Workrate en haar mede-aandeelhouders de aandelen in Usemate (later PayingIT) en werd de Usemate-software geleverd aan PayingIP, met overdracht van auteursrechten en een gelijktijdige licentie aan Workrate voor gebruik van de software. In geschil is welke omvang de auteursrechtoverdracht had en of Workrate met haar verdere exploitatie van Workstate, waarin overlappende broncode voorkomt, inbreuk maakt op de overgedragen rechten dan wel tekortschiet in de nakoming van de overeenkomsten. Workrate vorderde in conventie onder meer verklaringen voor recht dat zij geen auteursrechtinbreuk pleegt en niet tekortschiet. Payingit c.s. vorderde in reconventie juist verklaringen voor recht dat het volledige auteursrecht op de in een specificatiedocument genoemde mappen was overgedragen, dat Workrate inbreuk maakte, boetes had verbeurd en schadeplichtig was. De rechtbank en het hof oordeelden, na uitleg volgens het Haviltex-criterium, dat de auteursrechten op de in het document gespecificeerde broncode weliswaar aan PayingIP zijn overgedragen, maar dat Workrate een impliciet contractueel gebruiksrecht behoudt voor zover die broncode ook deel uitmaakt van Workstate. Ook ten aanzien van het gebruik door een derde (KlasseStudent/KlasseNet) werd geoordeeld dat dit binnen de bedoeling van partijen viel. Het hof achtte nader deskundigenonderzoek naar de precieze mate van overlap niet beslissend en veroordeelde Payingit c.s. in de proceskosten op grond van art. 1019h Rv, gemaximeerd op het indicatietarief voor een complexe bodemzaak.

In cassatie bestrijdt Payingit c.s. (1) de toerekening van wetenschap van [eiser 5] aan de kopers en de aanvaarding van een impliciete gebruikslicentie ten gunste van Workrate, (2) het oordeel dat kopers hebben ingestemd met het voortgezet gebruik van Klassenet door KlasseStudent, en (3) de proceskostenveroordeling ex art. 1019h Rv naar het indicatietarief ‘complexe bodemzaak’. De procureur-generaal concludeert dat het cassatieberoep van Payingit c.s. geen doel treft. Volgens het Parket draait de zaak niet om een wettelijke beperking van het auteursrecht, maar om de uitleg van tussen professionele partijen gesloten overeenkomsten waarin zij zelf de overdracht en licentie hebben vormgegeven. Het betoog dat het aannemen van een impliciete licentie in strijd zou zijn met Unierechtelijke regels, zoals de driestappentoets uit de Auteursrechtrichtlijn of de Softwarerichtlijn, faalt reeds omdat het geschil geen betrekking heeft op een wettelijke beperking van auteursrechten, maar op contractsvrijheid en partijbedoeling. Gelet op de vaststellingen van het hof, waaronder de wetenschap van betrokken bestuurders over de blijvende exploitatie van Workstate en de branchematige scheiding tussen partijen, is het oordeel dat Workrate haar Workstate-software mocht blijven exploiteren inclusief de overlappende onderdelen niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Het Parket adviseert daarom tot verwerping van het cassatieberoep.

3.34 “De klacht houdt in dat het hof in rov. 5.15 ten onrechte heeft geoordeeld, anders dan Payingit c.s. hebben bepleit, dat het door uitleg bepaalde (impliciete) contractuele gebruiksrecht van Workrate niet een ontoelaatbare Unierechtelijke beperking op de auteursrechten van PayingIP is. Uit rov. 5.15 blijkt dat het hof het hiervoor geciteerde betoog uit de grieven heeft verworpen. Het hof verwijst daar immers naar de driestappentoets van art. 5 lid 5 ARl die bepaalt onder welke voorwaarden beperkingen op het auteursrecht toelaatbaar zijn27. Het hof passeert dit, omdat het ‘eraan voorbij[ziet] dat de driestappentoets geen rol speelt bij de uitleg van een tussen twee partijen overeengekomen (impliciet) gebruiksrecht’. Volgens het hof gaat het hier niet om een ‘beperking’ als bedoeld door Payingit c.s., maar om wat partijen volgens de Haviltex-maatstaf zijn overeengekomen, als door het hof aangevuld op grond van de redelijkheid. Dat is geen ‘beperking’ op het auteursrecht van PayingIT, maar een modaliteit van de door haar verleende licentie aan Workrate en dat is iets heel anders. Daardoor is het hof ook niet toegekomen aan de vraag of op basis van het relevante Unierechtelijke auteursrechtelijke kader al dan niet sprake was van een geoorloofde beperking. Payingit c.s. voert in cassatie (nota bene) zelf aan dat ‘Workrate zou kunnen betogen dat het in casu niet gaat om een beperking op de exclusieve rechten van PayingIP, maar om een vorm van toestemming die Payingit c.s. zou hebben gegeven’28. Dat is precies wat Workrate – m.i. terecht, gelet op de besproken hofaanpak hier – heeft betoogd29. Payingit c.s. heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat ook in die situatie geldt dat het hof het Unierechtelijke auteursrechtelijke kader heeft miskend30. Dat gaat echter de portee van de klacht over rov. 5.15 (ver) te buiten. Payingit c.s. heeft nog geprobeerd hier een mouw aan te passen door te betogen dat deze klacht moet worden gelezen in samenhang met de daaraan voorafgaande klachten, en dan met name subonderdeel 1.3 onder c (besproken in 3.17-3.21)31. Een klacht met de strekking dat het hof bij zijn Haviltex-oordeel (uitleg en aanvulling naar redelijkheid) het Unierechtelijke auteursrechtelijke kader heeft miskend, ligt volgens mij niet besloten in het cassatiemiddel – ook niet als de klachten van dit onderdeel in onderlinge samenhang worden bezien. In gelijke zin Workrate en zij heeft in cassatie ook geen uitbreiding van de rechtsstrijd buiten de voor haar uit het cassatiemiddel kenbare klachten aanvaard32. Ik meen dan ook dat het bij die stand van zaken niet opportuun is om nader in te gaan op wat het Payingit c.s. bij mondeling pleidooi en bij s.t. heeft aangevoerd over strijd met het Unierechtelijke auteursrechtelijke kader in verband met het ontbreken van voorafgaande toestemming van PayingIP, nu dat voor de bespreking van de klachten uit het cassatiemiddel niet van belang is. De klachten van het onderdeel vinden hierin hun Waterloo.”

3.42 “Dan de klacht gericht tegen het oordeel in rov. 5.21-5.22. Voor zover het hof bij dat oordeel de in rov. 3.6 vastgestelde feiten tot uitgangspunt heeft genomen, is dat dus niet onjuist of onbegrijpelijk. Ook anderszins is het oordeel niet onjuist of onbegrijpelijk in het licht van de toelichting op grief 7. Het hof oordeelt in rov. 5.21-5.22 over ‘het gebruik dat KlasseStudent toen al jaren maakte van de oude versie van de Usemate software’ (rov. 5.21) en ‘hoe dan ook haar reeds lang bestaande gebruik van KlasseNet’ (rov. 5.22). Dat is dus het hiervoor bedoelde feitelijke gebruik, waarbij het hof in het midden kon laten hoe dat gebruik jaren eerder formeel, al dan niet in de vorm van een expliciete licentie, precies was vormgegeven tussen Workrate en KlasseStudent. De toelichting op grief 7 op dit punt is in zoverre dus niet relevant voor het oordeel van het hof. Het is verder ook niet onduidelijk hoe Workrate naar het hofoordeel in rov. 5.22 redelijkerwijs ervan mocht uitgaan dat Kopers ermee instemden dat KlasseStudent hoe dan ook haar reeds lang bestaande gebruik van KlasseNet zou mogen voortzetten. Dat Haviltex-oordeel heeft het hof immers gestoeld op de omstandigheden (‘onder deze omstandigheden’) die het heeft genoemd in rov. 5.21, dus onder meer de door [betrokkene 1] voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomsten aan onder anderen [eiser 5] en [eiser 6] doorgestuurde e-mail van 28 juni 2016. Dat is een feitelijk en niet onbegrijpelijk uitlegoordeel. Subonderdeel 2.2 en daarmee heel onderdeel 2 kan zodoende in mijn optiek niet tot cassatie leiden.”

3.51 “De klacht kan kortom niet tot cassatie leiden, nu het hof niet was gebonden aan het door partijen in hoger beroep subsidiair gevorderde indicatietarief voor ‘normale’ IE-bodemzaken. Het hof is met de toegewezen proceskostenveroordeling binnen het op de voet van art. 1019h Rv ‘desgevorderde’ gebleven en heeft conform art. 23 Rv ook beslist over hetgeen partijen hebben gevorderd. De begroting van proceskosten is verder een beslissing van feitelijke aard die geen motivering behoeft. Hierop strandt ook subonderdeel 3.2 en daarmee is heel onderdeel 3 tevergeefs voorgesteld.”