IEF 18510

Passat kan vernietiging op grond van Vo 608/2013 niet voorkomen

Vzr. Rechtbank Rotterdam 4 juni 2019, IEF 18510 (Passat tegen Philips) Douane IE Handhavingsverordening. IE-recht. Inbreuk. Passat is een Franse onderneming en levert consumentengoederen, waaronder scheerapparaten en opzetkammen onder de naam MicroTouch. Philips heeft de Douane van Rotterdam verzocht een partij door Passat ingevoerde MicroTouch producten te doen vernietigen wegens inbreuk op haar modelrechten met betrekking tot de vormgeving van het OneBlade scheerapparaat, zulks op grond van de vereenvoudigde procedure van art. 23 van Vo 608/2013. Passat heeft in die procedure niet tijdig bezwaar aangetekend tegen de vernietiging, waarna de Douane de producten heeft vrijgegeven voor vernietiging. De voorzieningenrechter oordeelt dat vernietiging alleen nog zou kunnen worden tegengehouden in uitzonderlijke omstandigheden waarin Philips misbruik zou maken van haar op grond van Vo 608/2013 verkregen bevoegdheid. Daarvan is geen sprake. De werking van Vo 608/2013 laat geen ruimte voor inhoudelijke discussie over inbreuk indien de vereenvoudigde procedure tot vernietiging eenmaal is afgerond.

5.6. Vo 608/2013 stelt, anders dan haar voorganger de APV, de vereenvoudigde vernietigingsprocedure verplicht. kort gezegd houdt de procedure in dat de vermoedelijk inbreukmakende goederen kunnen worden vernietigd zonder dat in een inbreukprocedure daadwerkelijk is vastgesteld dat van inbreuk sprake is. De douane informeert, nadat zij de producten zelf heeft tegengehouden, zowel de houder van het intellectuele eigendomsrecht als de aangever of de houder van de vermoedelijk inbreukmakende goederen. Laat de houder van het intellectuele eigendomsrecht tijdig, dat wil zeggen binnen tien werkdagen na de kennisgeving, weten dat naar zijn mening de producten inderdaad inbreuk maken en dat hij instemt met de vernietiging, terwijl de aangever of de houder van de vermoedelijk inbreukmakende goederen niet (tijdig) laat weten dat hij zich verzet tegen de vernietiging, dan worden de goederen vernietigd zonder tussenkomst van de rechter. Blijkt achteraf dat er geen sprake is van inbreuk, dan kan dit leiden tot aansprakelijkheid.

5.11. Dat wat Passat in dit kort geding wenst te bereiken - in plaats van vernietiging, vrijgave van de Goederen (al dan niet ten behoeve van opslag), waarmee de status van de goederen moet wijzigen van niet-communautair naar communautair - valt met de verordening die zij heeft ingesteld niet te behalen. Daarbij is onder andere van belang dat niet aannemelijk is dat Philips, gelet op het bepaalde in artikel 23 van Vo 608/2013, de Goederen in haar feitelijke beschikkingsmacht heeft, zoals Passat voorstaat. De Goederen zijn immers onder douanetoezicht ter vernietiging opgeslagen en deze zijn daarmee buiten het vrije verkeer gehouden. De mogelijkheid om de voor vernietiging bestemde Goederen alsnog voor vrije verhandeling in te voeren biedt Vo 608/2013 in ieder geval op dit moment niet. De enige handeling waartoe Philips in dit verband gerechtigd is over te gaan is het geven van een opdracht tot vernietiging aan een door de douane geautoriseerde partij (zie ook artikel 25 van Vo 608/2013), op welke vernietiging de douane bovendien toezicht moet houden. Het lijkt er dus op dat de douane niet enkel een louter faciliterende rol heeft, zoals Passat stelt, maar dat zij (mede) de (feitelijke) beschikkingsmacht over de Goederen heeft. Daarop gelet had het voor de hand gelegen dat Passat, met het oog op het door haar gewenste (voorlopig) voorkomen van de vernietiging van de Goederen, de douaneautoriteiten (mede) in dit kort geding had betrokken. Immers, met de door Passat voorgestane intrekking van het vernietigingsverzoek door Philips kan de vernietiging niet zonder meer worden tegengehouden.

5.12. Dat Passat zich, ondanks haar professionaliteit op grond waarvan zij bekend moet worden geacht met Vo 608/2013, kennelijk heeft vergist in de werking daarvan dient voor haar rekening en risico te blijven. Het zij nogmaals herhaald dat het hoofddoel van Vo 608/2013 is om de douane in staat te stellen de rechthebbenden te faciliteren om hun IE-recht op een snelle en simpele manier te handhaven en de Europese markt om handelspolitieke redenen te beschermen, in het licht waarvan aan het uitgangspunt dat binnen vastgestelde termijnen aan de voorwaarden van Vo 608/2013 moet zijn voldaan, moet worden vastgehouden. Dit geldt voor zowel de rechthebbenden als de eigenaar van de vermoedelijk inbreukmakende goederen. In dit geval heeft Philips aan die termijnen en voorwaarden voldaan en Passat niet. De vereenvoudigde vernietigingsprocedure, te weten de procedure tot het verkrijgen van de vernietigingsbevoegdheid, is daarmee afgerond en afgesloten. Met het starten van dit kort geding tracht Passat de reeds aan Philips gegeven bevoegdheid tot vernietiging van de Goederen in de uitvoering daarvan te doorkruizen, waarvoor Vo 608/2013 (in beginsel) geen ruimte biedt. Indien niet aan de eisen die artikel 23 van Vo 608/2013 stelt zou worden vastgehouden, zou dat iedere effectiviteit aan de vereenvoudigde vernietigingsprocedure ontnemen wat ongewenst is. Naar voorlopig oordeel zal alleen in zeer bijzondere gevallen van het vasthouden aan die eisen kunnen worden afgeweken. Voor het oordeel dat een dergelijk bijzonder geval zich thans voordoet, is - het hiervoor overwogene mede in aanmerking nemende - hier echter niets gesteld of aannemelijk gemaakt.