IEF 19936

P-G Wassink: opt-in systeem huis-aan-huisbladen is in strijd met art. 10 EVRM

HR 7 mei 2021, IEF 19936, RB 3511; ECLI:NL:PHR:2021:447 (Gemeente Utrecht tegen DPG) In de Afvalstoffenverordening van de gemeente Utrecht is met ingang van 1 januari 2020 bepaald dat ongeadresseerd reclamedrukwerk en huis-aan-huisbladen alleen mogen worden bezorgd bij inwoners die met een JA/JA- of NEE/JA-sticker hebben aangegeven dat zij dit drukwerk willen ontvangen (het opt-in systeem). De uitgever van een huis-aan-huisblad heeft in een kort geding tegen de gemeente een verbod tot handhaving van deze regeling gevorderd. In cassatie spitst het geschil zich toe op de vraag of het hof heeft kunnen oordelen dat het opt-in-systeem jegens deze uitgever in strijd is met art. 10 EVRM omdat niet voldaan is aan het noodzakelijkheidsvereiste. P-G Wissink concludeert dat het hof dit terecht heeft mogen doen en adviseert tot verwerping van het cassatieberoep van de gemeente.

4.3 Een beperking van de vrijheid van meningsuiting is alleen toelaatbaar als zij voldoet aan de in art. 10 lid 2 EVRM gestelde eisen: de beperking moet voorzien zijn bij wet, een in het tweede lid genoemd legitiem doel dienen, en noodzakelijk zijn in een democratische samenleving. Deze eisen moeten strikt worden uitgelegd. Het noodzakelijkheidsvereiste betekent volgens het EHRM dat er een dringende maatschappelijke behoefte (“pressing social need”) moet bestaan voor de beperking, dat er een proportionele verhouding moet bestaan tussen doel en beperking, en dat de voor de beperking aangevoerde redenen “relevant and sufficient” moeten zijn. In deze criteria ligt ook een vereiste van subsidiariteit besloten, in die zin dat de getroffen maatregel disproportioneel is als een minder vergaande maatregel voldoende is om het doel van de beperking te bereiken. Het EHRM toetst doorgaans niet aan elk van deze criteria afzonderlijk. De toetsing op het noodzakelijkheidsvereiste komt neer op een afweging in concreto waarbij rekening wordt gehouden met alle omstandigheden van het geval.

4.4 De toetsing aan het noodzakelijkheidsvereiste van een grondrechtbeperkende algemene regeling kan tot het oordeel leiden dat de regeling als zodanig is te billijken en beantwoordt aan een overtuigende maatschappelijke doelstelling, maar dat de toepassing van deze regeling in het voorgelegde concrete geval niettemin vragen oproept over de noodzakelijkheid. Het EHRM blijkt dan vaak bereid tot een toetsing in twee fasen, waarbij het eerst vaststelt of de regeling in algemene zin voldoet aan het noodzakelijkheidsvereiste, waarna het afzonderlijk nagaat of dat ook het geval is in de concrete casus (een abstracte en concrete toetsing).