Gepubliceerd op donderdag 15 januari 2026
IEF 23208
Rechtbank Rotterdam ||
10 nov 2025
Rechtbank Rotterdam 10 nov 2025, IEF 23208; ECLI:NL:RBROT:2025:15253 (De Veiligheidsgroup tegen [eiser]), https://www.ie-forum.nl/artikelen/overdracht-it-werk-en-redelijk-loon-bij-voortijdig-einde-opdracht

Overdracht IT-werk en redelijk loon bij voortijdig einde opdracht

Rb. Rotterdam 10 november 2025, IEF 23208; IT 5072; ECLI:NL:RBROT:2025:15253 (De Veiligheidsgroup tegen [eiser]). De voorzieningenrechter oordeelt in kort geding dat tussen De Veiligheidsgroup B.V. en [eiser] een overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen als bedoeld in artikel 7:400 BW. [eiser] had zich verbonden tot het (mede) ontwikkelen van een IT-werkproces en -infrastructuur, waaronder een website en digitale leeromgeving, tegen een vergoeding met een totale waarde van € 37.390. De overeenkomst is geëindigd voordat de opdracht was voltooid. Vaststaat dat [eiser] de werkzaamheden niet heeft afgerond en dat De Veiligheidsgroup de vergoeding nog niet had betaald. In de procedure vordert De Veiligheidsgroup onder meer overdracht van het technisch fundament van de website, terwijl [eiser] betaling van het volledige bedrag vordert.

De voorzieningenrechter stelt vast dat partijen bij het aangaan van de opdracht ook afspraken hebben genoemd over intellectuele eigendomsrechten, zoals blijkt uit een door [eiser] verzonden WhatsAppbericht. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] echter verklaard dat hij geen aanspraak (meer) maakt op IE-rechten, maar uitsluitend betaling verlangt voor het in opdracht verrichte werk. De rechter verbindt daaraan geen zelfstandig oordeel over de IE-rechten, maar beoordeelt de vorderingen binnen het kader van het opdrachtrecht. Met toepassing van artikel 7:411 lid 1 BW wordt geoordeeld dat [eiser], nu de overeenkomst vóór volbrenging is geëindigd en betaling afhankelijk was gesteld van volbrenging, recht heeft op een naar redelijkheid vast te stellen deel van het loon. Omdat partijen het erover eens zijn dat in ieder geval 21% van de opdracht is uitgevoerd, stelt de voorzieningenrechter dit bedrag voorlopig vast op € 7.851,90. [eiser] wordt veroordeeld tot overdracht van het technisch fundament van de website en bijbehorende accountgegevens, terwijl De Veiligheidsgroup wordt veroordeeld tot betaling van dit bedrag. De overige vorderingen worden afgewezen en de proceskosten worden gecompenseerd.

4.6.1.

[eiser] heeft de digitale leeromgeving en website in opdracht van De Veiligheidsgroup (mede) ontwikkeld. Tijdens het gesprek op 14 maart 2024 hebben Commenencia en [eiser] ook afspraken gemaakt over intellectuele eigendomsrechten. Dit blijkt immers uit het later door [eiser] verzonden Whatsappbericht (zie 2.2.). Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] toegelicht dat partijen dit op initiatief van Commenencia zijn overeengekomen, maar dat hij geen aanspraak op rechten van intellectuele eigendom wenst te maken. [eiser] wil betaald krijgen voor het werk dat hij in opdracht van De Veiligheidsgroup heeft verricht. Zolang dat niet gebeurt, houdt hij (het technisch fundament van) de website onder zich. Overigens heeft [eiser] laten weten dat hij genoegen neemt met het totaalbedrag van € 37.390,00 en niet langer een vergoeding wenst conform de in het Whatsappbericht neergelegde afspraak. Daarom vordert hij in reconventie betaling door De Veiligheidsgroup van € 37.390,00.

4.6.2.

Volgens [eiser] is [naam 2] (hierna: [naam 2]) verantwoordelijk voor de IT-infrastructuur van De Veiligheidsgroup en heeft hij sinds 5 augustus 2024, net als [eiser], toegang tot de online leeromgeving. Ondanks dat De Veiligheidsgroup stelt dat [naam 2] alleen kijkersrechten heeft, blijkt uit een door [eiser] overgelegd overzicht van project members dat [naam 2] dezelfde rechten (als owner) heeft als [eiser]. Daaruit begrijpt de voorzieningenrechter dat ook [naam 2] toegang heeft tot de code van de online leeromgeving en dat De Veiligheidsgroup zich tot [naam 2] kan wenden om de technische fundamenten van de digitale leeromgeving in handen te krijgen. Dit ligt anders ten aanzien van de website. [eiser] weerspreekt niet dat alleen hij daarover beschikt. Hij wil deze echter niet aan De Veiligheidsgroup overdragen zolang hij daarvoor niet betaald krijgt.

4.6.3.

Artikel 7:411 lid 1 BW bepaalt dat indien de overeenkomst eindigt voordat de opdracht is volbracht en de verschuldigdheid van loon afhankelijk is van de volbrenging, de opdrachtnemer recht heeft op een naar redelijkheid vast te stellen deel van het loon. In dit geval is de overeenkomst geëindigd vóór het volbrengen van de opdracht en de verschuldigdheid van het loon afhankelijk gesteld van de volbrenging. Dat laatste volgt uit de afspraak dat betaling volgt binnen een bepaalde termijn na de operationele start. Dit betekent dat [eiser] recht heeft op een naar redelijkheid vast te stellen deel van het loon. [eiser] heeft niet inzichtelijk gemaakt welk deel van de opdracht hij heeft uitgevoerd. Dat komt in beginsel voor zijn risico. In de brief van 24 oktober 2025 heeft mr. Boeters gesteld dat 21% is voltooid. Dat heeft [eiser] betwist. Hoewel in een bodemprocedure zal moeten worden vastgesteld welke werkzaamheden precies zijn verricht, zijn partijen het erover eens dat in ieder geval 21% van de opdracht is uitgevoerd. Dat brengt de voorzieningenrechter tot het volgende.