IEF 20127

Oud werkgever blijft rechthebbende van octrooien

Rechtbank Rotterdam 14 juli 2021, IEF 20127; ECLI:NL:RBROT:2021:7343 (Eiser tegen Mourik)  Eiser is in 2010 in dienst getreden bij Mourik, een internationaal opererende onderneming in de petrochemische industrie. In de arbeidsovereenkomst is overeengekomen dat alle onstane rechten gedurende de arbeidsovereenkomst toekomen aan Mourik. Tijdens zijn dienstverband heeft eiser een tweetal uitvindingen gedaan, ter zake waarvan Mourik octrooiaanvragen heeft ingediend. Ook is ten aanzien van de tweede uitvinding een Innovatieovereenkomst tussen eiser en toenmalige werkgever tot stand gekomen. In 2019 is eiser ergens anders in dienst getreden. Eiser vordert nu ontbinding van de Innovatieovereenkomst en overdracht van de twee octrooien. Hij stelt dat er sprake is geweest van dwaling en dat de vergoeding die eiser destijds heeft gekregen niet in verhouding staat tot de uiteindelijk gemaakte omzet dankzij de uitvinding. De rechter gaat hier niet in mee en stelt dat de octrooien aan Mourik blijven toebehoren, maar dat eiser wel aanspraak maakt op de in de Innovatieovereenkomst afgesproken vergoeding. 

4.13. [naam eiser] heeft bij repliek (op pagina 6) een overzicht opgesteld, waaruit volgens hem blijkt dat de Eerste Uitvinding in de periode volgend op de introductie per eind 2012 in ieder geval bij een 59-tal reactoren bij meerdere klanten is gebruikt, wat bij een gemiddelde waarde van € 250.000,00 per gebruik per reactor gelijk staat aan een minimale omzetwaarde voor Mourik van € 15 miljoen. Omdat het overzicht niet compleet en niet geactualiseerd is, is de werkelijke waarde volgens [naam eiser] veel hoger. Hij heeft verder aangevoerd dat de betreffende business unit gegroeid is “van circa 2,1 miljoen in 2011 naar 5,2 miljoen in 2018”. Nadat Mourik het betreffende overzicht en de stellingen van [naam eiser] in dat kader bij dupliek gemotiveerd heeft betwist, zijn door [naam eiser] geen nadere stellingen ingenomen die de juistheid van zijn standpunt kunnen onderbouwen. Met Mourik is de rechtbank van oordeel dat aan de “conservatieve schatting” van [naam eiser] op dit punt weinig waarde kan worden gehecht. Dat [naam eiser] ter onderbouwing van zijn betoog concrete stukken of cijfers nodig zou hebben waarover hij niet kan beschikken (maar waarover Mourik wel beschikt), is niet door [naam eiser] gesteld. Voor een verzwaarde motiveringsplicht aan de zijde van Mourik is in die omstandigheden geen aanleiding. Dat geldt temeer, omdat Mourik onweersproken heeft gesteld dat zij blijkens haar gepubliceerde (en dus ook voor [naam eiser] toegankelijke) jaarrekeningen over de periode van 2012 tot en met 2019 per saldo een negatief bedrijfsresultaat heeft behaald. Dat Mourik (en haar klanten) zich in lovende bewoordingen uitlaten over de Eerste Uitvinding is voorts onvoldoende om de conclusie te kunnen rechtvaardigen dat de aan [naam eiser] verstrekte vergoeding van € 25.000,00 niet in redelijke verhouding tot de waarde van de Eerste Uitvinding staat. Dat [naam eiser] - in de woorden van Mourik - “vorstelijk beloond” werd door middel van “buitenproportionele salarisverhogingen” en “zeer substantiële bonussen” is, anders dan [naam eiser] heeft aangevoerd, evenmin een (voldoende concrete) aanwijzing voor de juistheid van de stelling dat Mourik buitenproportionele omzetstijgingen genoot en zeer substantiële winsten realiseerde. Al met al zijn de stellingen van [naam eiser] op dit punt dan ook onvoldoende onderbouwd, zodat aan bewijslevering op dit punt niet kan worden toegekomen. Bovendien ontbreekt in het betoog van [naam eiser] ieder concreet aanknopingspunt voor de vraag welke vergoeding dan wel redelijk zou zijn. De aan [naam eiser] verstrekte vergoeding van € 25.000,00 wordt al met al passend geacht.