IEF 19237

Oud-rechter procedeerde onrechtmatig tegen journalist

Hof 's-Hertogenbosch 26 mei 2020, IEF 19237; ECLI:NL:GHSHE:2020:1629 (Journalist tegen oud-rechter) Via Rechtspraak.nl. De oud-rechter startte de procedure nadat de journalist een boek had uitgebracht waarin een telefoongesprek tussen de oud-rechter en een advocaat stond beschreven. De oud-rechter ontkende dat dit telefoongesprek heeft plaatsgevonden. Vast is komen te staan dat het telefoongesprek wel heeft plaatsgevonden. De oud-rechter heeft onrechtmatig gehandeld door een procedure tegen de journalist aan te spannen. De procedure was gebaseerd op de onterechte ontkenning van het telefonisch contact tussen de rechter en de advocaat.

9.4. Ten aanzien van de bewijslevering overweegt het hof als volgt. Zoals hierboven in r.o. 9.1.1. al aangeduid, heeft het hof in het tussenarrest (zie r.o. 6.24.1. tot en met 6.24.3.) geoordeeld dat [appellant] het gestelde telefonisch contact voorshands heeft bewezen, behoudens tegenbewijs door [geïntimeerde] . Nu [geïntimeerde] heeft afgezien van het leveren van tegenbewijs, is [appellant] definitief geslaagd in zijn bewijslevering. Dit houdt in dat tussen [appellant] en [geïntimeerde] vaststaat dat voorafgaand aan het pleidooi van 8 december 1994 telefonisch contact heeft plaatsgevonden tussen [geïntimeerde] en [advocaat 1] . Daarmee staat ook vast dat [geïntimeerde] misbruik van procesrecht heeft gemaakt/onrechtmatig heeft gehandeld door een procedure tegen [appellant] aan te spannen op de onjuiste feitelijke grondslag van ontkenning van genoemd telefonisch contact tussen [geïntimeerde] en [advocaat 1] (zie ook r.o. 6.21. tot en met 6.21.4. van het tussenarrest).

9.5. Het voorgaande betekent dat [geïntimeerde] in beginsel aansprakelijk is voor de door [appellant] geleden en nog te lijden schade ten gevolge van genoemd misbruik van procesrecht/onrechtmatig handelen door [geïntimeerde] .

Voor toewijzing van de door [appellant] gevorderde schadevergoeding op te maken bij staat is noodzakelijk maar ook voldoende, dat het bestaan of de mogelijkheid van schade van [appellant] als gevolg van het misbruik van procesrecht/onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] voldoende aannemelijk is. Naar het oordeel van het hof is dit het geval. [geïntimeerde] heeft zijn desbetreffende verweer onvoldoende onderbouwd (zie r.o. 6.33. van het tussenarrest). Het hof zal de vordering van [appellant] dan ook toewijzen en de zaak verwijzen naar de schadestaatprocedure.