IEF 20714

Oppositie tegen merkaanvrage alsnog toegewezen

BenGH 13 mei 2022, IEF 20714, IEFbe 3449; C 2021/1 (Cobo tegen EMS) Cobo heeft zowel het Uniewoordmerk 'COBO' als het woordbeeldmerk ingediend voor de klassen 9, 11 en 12. Zij stelt daarmee oppositie in tegen de aanvraag van Electric Mobility Systems (EMS) voor het woordmerk Cobi. Het BBIE heeft in eerste instantie bij beslissing de oppositie van Cobo afgewezen, aangezien Cobo het gebruik van diens eigen merk in de relevante periode en territoir niet voldoende had aangetoond. Het Benelux-Gerechtshof oordeelde dat hier wel degelijk sprake van is, waardoor vervolgens gekeken kan worden of het aangevraagde teken verwarring veroorzaakt in vergelijking met het ingeschreven merk van Cobo. Het Benelux-Gerechtshof oordeelt bevestigend en alle merkaanvragen van Cobi dienen te worden geweigerd ten aanzien van de aangevraagde waren. Centraal staat dat het aangevraagde merk voor dezelfde klassen wordt aangevraagd, als die van Cobo, waardoor niet alleen een vrij hoge mate van soortgelijkheid, maar tevens verwarringsgevaar te duchten is.

23. Gelet op dat alles concludeert het hof dat de door Verzoekster overgelegde gebruiksbewijzen, in samenhang met elkaar beschouwd en zoals nader toegelicht door Verzoekster, voldoende concrete en objectieve gegevens zijn, op basis waarvan kan worden vastgesteld dat Verzoekster de Merken (het © gebruik van het ©COBOOlogo als normaal gebruik van het woord/beeldmerkCOBO beschouwend) in de relevante periode en in het relevante gebied daadwerkelijk en afdoende (en dus normaal) heeft gebruikt op de markt voor de waren waarvoor de Merken zijn ingeschreven.

40. In het onderhavige geval is de overeenstemming tussen het teken en de Merken gelegen is de de eerste drie identieke letters die het totaalbeeld van het teken en de Merken bepalen. Dat de laatste letter verschilt kan naar het oordeel van het hof niet afdoen aan de overeenstemmende algemene indruk van het teken en de Merken. De Merken zijn niet beschrijvend voor de betrokken waren, zodat van een normaal onderscheidend vermogen is uit te gaan. Het teken is gedeponeerd voor soortgelijke waren als waarvoor de Merken zijn ingeschreven. Naar het oordeel van het hof is, mede in aanmerking nemend dat de eindgebruiker in het algemeen niet de gelegenheid heeft het teken en de Merken rechtstreeks met elkaar te vergelijken, maar aanhaakt bij het onvolmaakte beeld dat bij hem of haar is achtergebleven, sprake van (reëel) direct of indirect verwarringsgevaar. Daarbij kan de eindgebruiker zowel een handelaar of monteur van scooters zijn, die daarvoor onderdelen zoekt, als ook een scootereigenaar die zelf zijn scooter onderhoudt.