IEF 19984

Onvoldoende causaal verband tussen beroepsfout en gederfde winst

Hof 's-Hertogenbosch 20 april 2021, IEF 19984; ECLI:NL:GHSHE:2021:1197 (Beheer B.V. tegen AOMB) Appellant heeft via Algemeen Octrooi- en Merkenbureau (AOMB) een octrooi laten vastleggen voor een gezamenlijke uitvinding van een ijsblokjesmachine. Met de tweede uitvinder is appellant nadien zakelijk gescheiden. In eerste aanleg is al vastgesteld dat er sprake is geweest van een beroepsfout aan de zijde van AOMB, doordat zij appellant een verkeerd advies heeft gegeven. AOMB had nagelaten om te vermelden dat de tweede uitvinder een afstandsverklaring zou kunnen tekenen om ervoor te zorgen dat de octrooirechten ook in landen met andere regimes aan [Beheer B.V.] zouden toekomen. Appellant vordert schadevergoeding vanwege gederfde winst, maar de rechter oordeelt dat van een causaal verband tussen de tekortkoming en de geleden schade onvoldoende sprake is. Appellant heeft volgens de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt dat, zonder de tekortkoming van AOMB, er sprake was geweest van nieuwe overeenkomsten met derden. 

3.5.19. Het hof stelt voorop dat, ten aanzien van de maatstaf voor de beoordeling of sprake is van een beroepsfout van [octrooigemachtigde] , de rechtbank heeft overwogen dat hierbij de vraag is of al dan niet is gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden gevergd. Tegen deze maatstaf en tegen de overwegingen over de nadere invulling daarvan in rov. 4.14.1 van tussenvonnis II is geen grief gericht, zodat ook het hof van deze maatstaf uitgaat.

Het hof is van oordeel dat, gelet op het feit dat [directeur 2] mede-uitvinder was van beide uitvindingen en aangezien was gebleken dat [directeur 2] niet bereid was om afstand te doen van zijn rechten op deze uitvindingen, van een redelijk bekwaam en redelijk handelende octrooigemachtigde niet gevergd kon worden dat hij hem zonder diens toestemming zou verwijderen uit de octrooiaanvraag. AOMB voert terecht aan dat [octrooigemachtigde] daarmee onrechtmatig zou hebben gehandeld jegens [directeur 2] . [octrooigemachtigde] treft wat dit betreft dus geen verwijt, en van een tekortkoming of onrechtmatig handelen van AOMB is dus geen sprake.

3.5.23. Het hof overweegt dat [Beheer B.V.] bij haar beroep op het leerstuk van het verlies van een kans ervan uitgaat dat als de (gestelde) tekortkomingen van AOMB achterwege waren gebleven, [Beheer B.V.] als enige had kunnen beschikken over de rechten op het octrooi. [Beheer B.V.] gaat er immers van uit dat voor de overeenkomst met [onderneming 2] exclusiviteit moest worden verleend. Uit de voorgaande beoordeling volgt dat het hof niet aannemelijk acht dat, zonder de (gestelde) tekortkomingen van AOMB, [directeur 2] zijn rechten op het octrooi aan [Beheer B.V.] zou hebben overgedragen. Dat betekent geen sprake is van een kans op het sluiten van een overeenkomst met [onderneming 2] die als gevolg van de (gestelde) tekortkomingen van AOMB verloren is gegaan.