Gepubliceerd op dinsdag 10 februari 2026
IEF 23278
Rechtbank Den Haag ||
7 jan 2026
Rechtbank Den Haag 7 jan 2026, IEF 23278; ECLI:NL:RBDHA:2026:424 ([eiser] en [eiseres] tegen GEMEENTE LEIDEN), https://www.ie-forum.nl/artikelen/onrechtmatige-gegevensverstrekking-door-gemeente-zonder-schadevergoeding-wegens-ontbrekend-causaal-verband

Onrechtmatige gegevensverstrekking door gemeente zonder schadevergoeding wegens ontbrekend causaal verband

Rb Den Haag 7 januari 2026, IEF 23278; ECLI:NL:RBDHA:2026:424 ([eiser] en [eiseres] tegen GEMEENTE LEIDEN). In deze zaak spreekt een particulier een gemeente aan wegens de onrechtmatige verstrekking van zijn persoonsgegevens aan een woningcorporatie in het kader van een woningkoop (koopgarantregeling). De eiser stelt dat deze gegevensverstrekking in strijd is met de AVG en daarmee een onrechtmatige overheidsdaad oplevert. Op grond van artikel 82 AVG vordert hij vergoeding van zowel materiële als immateriële schade. De gemeente voert aan dat de gegevensverstrekking noodzakelijk was binnen het kader van de kooptransactie en berustte op een geldige rechtsgrond, zodat geen sprake zou zijn van een AVG-schending.

De rechtbank oordeelt dat de gemeente bij de verstrekking van de persoonsgegevens heeft gehandeld in strijd met de AVG, omdat een toereikende rechtsgrond ontbrak en onvoldoende was gewaarborgd dat uitsluitend noodzakelijke en doelgebonden gegevens werden gedeeld. Daarmee staat vast dat sprake is van een onrechtmatige overheidsdaad. Vervolgens beoordeelt de rechtbank of de eiser schade heeft geleden die voor vergoeding in aanmerking komt op grond van artikel 82 AVG. Ten aanzien van de materiële schade oordeelt de rechtbank dat het vereiste causaal verband tussen de onrechtmatige gegevensverstrekking en de gestelde financiële schade onvoldoende is onderbouwd, waardoor deze vordering wordt afgewezen. Wel acht de rechtbank aannemelijk dat de eiser immateriële schade heeft geleden in de vorm van verlies van controle over zijn persoonsgegevens en de daarmee gepaard gaande aantasting van zijn persoonlijke levenssfeer. De rechtbank kent daarom een beperkte immateriële schadevergoeding toe.

4.18. “Uit het voorgaande volgt dat [woningcorporatie] , ook indien de gegevensverstrekking zou worden weggedacht, [eiser] geen toestemming zou hebben gegeven om de woning aan een derde te verhuren. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] zich nog op het standpunt gesteld dat, als hij van [woningcorporatie] geen toestemming zou hebben gekregen om de woning te verhuren, hij zonder de onrechtmatige gegevensverstrekking in de woning zou zijn blijven wonen. Maar, omdat [eiser] in het telefoongesprek van 30 januari 2024 door de advocaat van [woningcorporatie] een fraudeur was genoemd, heeft hij omwille van het beschermen van zijn goede naam afstand genomen van de woning, aldus nog steeds [eiser] . De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat de door de gemeente verstrekte gegevens feitelijk juist zijn. Dat [woningcorporatie] op grond van die gegevens vervolgens twijfels heeft over de vraag of [eiser] op dat moment nog in de woning woonde, en [eiser] zich daarna omwille van het beschermen van zijn goede naam genoodzaakt zou voelen om de woning te verkopen, was voor de gemeente redelijkerwijs niet voorzienbaar. Daarbij is mede van belang dat het zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet valt te begrijpen hoe, indien [eiser] in de woning zou blijven wonen, de beschuldigingen van [woningcorporatie] in de openbaarheid zouden kunnen komen, zodat de mogelijke aantasting van de goede naam van [eiser] ook niet voor de hand ligt. De beslissing om de woning te verkopen maakt de door [eiser] gestelde beschuldigingen bovendien niet ongedaan, zodat de rechtbank ook niet goed begrijpt hoe de beslissing om de woning te verkopen dan zou bijdragen aan het voorkomen van reputatieschade. De gemeente had er gelet op het voorgaande dus geen rekening mee behoeven te houden dat [eiser] omwille van het beschermen van zijn goede naam na de verstrekking van de feitelijk juiste gegevens zou besluiten om afstand van de woning te nemen. De beslissing van [eiser] om de woning te verkopen staat daarmee in een te ver verwijderd verband met de onrechtmatige gegevensverstrekking.”

4.19. “Dit een en ander leidt de rechtbank tot het oordeel dat het causaal verband tussen de beslissing tot verkoop van de woning en de gegevensverstrekking niet is komen vast te staan. Er is dan ook geen sprake van te vergoeden materiële schade als bedoeld in artikel 82 AVG.”

4.20. “Vervolgens komt de rechtbank toe aan de vordering tot vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 82 AVG. Hierbij neemt de rechtbank de volgende omstandigheden in aanmerking.”

4.21. “Aannemelijk is dat [eisers] c.s. persoonlijk zijn geraakt door de onrechtmatige gegevensverstrekking. Het betreft gegevens die deels gevoelig zijn (gegevens over de relatie tussen [eiser] en [eiseres] ). De verstrekking houdt een verlies van controle in. De gegevens zijn echter enkel aan een professionele partij verstrekt, die aan de in het convenant neergelegde regels is gebonden, zodat niet kan worden gezegd dat de gegevens ‘op straat’ zijn komen te liggen. Dat neemt niet weg dat de gegevens wel degelijk zijn gebruikt ten behoeve van een juridisch geschil tussen [eiser] en [woningcorporatie] , terwijl daar geen grond voor bestond. Nu [eiseres] in beginsel buiten deze discussie stond, gaat de rechtbank ervan uit dat voor [eiser] de impact van de gegevensverstrekking groter is geweest. Dit een en ander leidt de rechtbank tot het oordeel dat [eiseres] aanspraak kan maken op een vergoeding van € 100 en [eiser] op € 300. Hierover zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen.”