IEF 20249

Onduidelijkheid over rechthebbende

Vzr. Rechtbank Zeeland-West-Brabant 13 oktober 2021, IEF 20249; ECLI:NL:RBZWB:2021:5120 (Eiser tegen gedaagde) Kort geding. Gedaagde, eenmanszaak, is sinds 2019 houder van een Benelux model voor reclameborden die uitklapbaar zijn tot een overkapping voor supporters langs sportvelden. Gedaagde is werkzaam geweest bij eiser. Eiser is houder van een in 2020 ingeschreven Benelux model voor uitklapbare overkappingen voor statafels. Partijen vorderen over en weer een verbod om inbreuk te maken op een product waarvan zij stellen de auteurs- en modelrechthebbende te zijn. Eiser stelt zich op het standpunt dat gedaagde een identieke kopie van het door eiser ontworpen bord op de markt heeft gebracht. Gedaagde betwist dat hij inbreuk maakt op de rechten van eiser, omdat deze juist aan hem zouden toekomen. De voorzieningenrechter stelt vast dat eiser wel een model geregistreerd heeft, maar dat deze modelregistratie van latere datum is dan de modelregistratie van gedaagde. Hieruit volgt echter niet direct dat eiser te kwader trouw was. De vorderingen, zowel in conventie als reconventie, worden afgewezen. 

5.4. De voorzieningenrechter stelt vast dat [eiser] wel een model geregistreerd heeft, maar dat deze modelregistratie van latere datum is dan de modelregistratie van [gedaagde]. Gelet daarop is het in conventie gevorderde slechts dan toewijsbaar als kan worden vastgesteld dat [eiser] de auteursrechthebbende is van het eerdere door [gedaagde] geregistreerde model. Op basis van de thans voor handen zijnde stukken en hetgeen ter mondelinge behandeling aan de orde is gekomen, is echter niet zonder meer vast te stellen wie de auteursrechthebbende is van het door [gedaagde] geregistreerde model. Veel vraagpunten staan daartoe immers nog open. Uit de overgelegde Whatsapp-correspondentie (productie 2 zijdens [gedaagde] ) lijkt wel te volgen dat het idee voor het klapbord van [gedaagde] afkomstig was, maar of dit idee reeds toen door hem zodanig uitgewerkt was om auteursrechtelijk beschermd te kunnen zijn en of die uitwerking afkomstig was van uitsluitend (de werknemer van) [eiser] , dan wel gezamenlijk tot stand is gekomen, is op grond van hetgeen door partijen naar voren is gebracht in dit kort geding niet vast te stellen. De inhoud van de schriftelijke verklaring van de werknemer van [eiser] is betwist door [gedaagde] en levert onvoldoende bewijs op van de stellingen van [eiser] . Een nader onderzoek naar de feiten, waarbij te denken valt aan bewijslevering door getuigen, kan mogelijk meer duidelijkheid geven, maar de aard van een kort geding leent zich niet voor een dergelijk onderzoek. Nu niet kan worden vastgesteld dat [eiser] auteursrechthebbende van het klapbord is, zijn de conventionele vorderingen van [eiser] in dit kort geding, voor zover gebaseerd op dit recht, niet voor toewijzing vatbaar. Ditzelfde lot treft de vordering voor zover gebaseerd op het modelrecht van [eiser] . [gedaagde] heeft immers een eerder modelrecht maar [eiser] stelt dat dit depot te kwader trouw was nu het een model van [eiser] betrof waarop het auteursrecht van [eiser] rust. Als hiervoor overwogen kan dit laatste niet worden vastgesteld in kort geding, terwijl voorts - zoals hierna wordt overwogen - niet kan worden vastgesteld of de modellen inbreuk op elkaar maken.