IEF 18588

Omroep BNN-VARA moet rectificatie bij uitzending #BOOS plaatsen

Rechtbank Midden-Nederland 11 juli 2019, IEF 18588; ECLI:NL:RBMNE:2019:3108 (Vastgoedondernemers tegen BNNVARA) Omroep BNN-VARA moet bij een uitzending van het programma #BOOS een rectificatie plaatsen. In de uitzending worden eisers, ondernemers uit Groningen, van verschillende feiten beschuldigd. Zo zouden zij een verhuurbemiddelingsbureau bewust failliet hebben laten gaan om schuldeisers te ontlopen. Dit kan niet bewezen worden. De rectificatie moet voorafgaand aan de betreffende aflevering van #BOOS dertig seconden lang in beeld te zien zijn. In de rectificatie moet BNN-VARA verklaren dat de beschuldigingen over onder andere het bewust failliet laten gaan van het bedrijf ‘onvoldoende door feiten worden gedragen. BNN-VARA is ook veroordeeld tot het betalen van een dwangsom van € 2500,- voor iedere dag dat de omroep niet aan de uitspraak voldoet, met een maximum van € 50.000,-.

4.2.
In deze zaak gaat het om een botsing van fundamentele rechten. Ten eerste het aan de zijde van [eisers c.s.] aanwezige recht op eerbiediging van de eer en goede naam en aan de zijde van BNNVARA het recht op vrijheid van meningsuiting.

4.3.
Het antwoord op de vraag welk van deze beide rechten in het concrete geval zwaarder weegt, moet worden gevonden door een afweging van alle ter zake dienende omstandigheden van het geval. Bij deze afweging geldt niet als uitgangspunt dat voorrang toekomt aan het door artikel 10 Gw en artikel 8 EVRM gewaarborgde recht. Voor de door artikel 7 Gw en artikel 10 EVRM beschermde rechten geldt hetzelfde. Dit brengt met zich dat het hier niet gaat om een in twee fasen te verrichten toetsing (aldus dat eerst aan de hand van de omstandigheden moet worden bepaald welk van beide rechten zwaarder weegt, waarna vervolgens nog moet worden beoordeeld of de noodzakelijkheidstoets als neergelegd in artikel 8 lid 2 respectievelijk 10 lid 2 EVRM zich verzet tegen het resultaat van die afweging), maar dat deze toetsing in één keer dient te geschieden, waarbij het oordeel dat een van beide rechten, gelet op alle ter zake dienende omstandigheden, zwaarder weegt dan het andere recht, meebrengt dat de inbreuk op het andere recht voldoet aan de noodzakelijkheidstoets van het desbetreffende lid 2 (zie HR 18 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB3210 Van [naam] / [naam] ; HR 5 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9230, Endemol en SBS/A). Welk van de beide genoemde wederzijdse belangen in het concrete geval zwaarder weegt, hangt zoals gezegd af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij is onder meer relevant (i) de aard van de gepubliceerde uitlatingen en de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie die uitlatingen betrekking hebben, (ii) de ernst - bezien vanuit het algemeen belang - van de misstand die aan de kaak wordt gesteld, (iii) de mate waarin de uitlatingen steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal ten tijde van de publicatie, (iv) de totstandkoming en inkleding van de uitlatingen, (v) het gezag dat het medium waarop de uitlatingen zijn gepubliceerd geniet en (vi) de maatschappelijke positie van de betrokken persoon. Genoemde omstandigheden wegen niet allen even zwaar. Welke omstandigheden van toepassing zijn en welk gewicht daaraan moet worden gehecht, hangt af van het concrete geval.

4.24.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de onder 4.2 en 4.3 bedoelde belangenafweging er toe leidt dat [eisers c.s.] recht heeft op en voldoende spoedeisend belang heeft bij toewijzing van de navolgende rectificatie. De rectificatie moet zodanig geplaatst worden dat deze voorafgaand aan de Aflevering voor de duur van 30 seconden wordt getoond. Daarbij dient geen commentaar te worden gegeven of (andere) geluids- of visuele effecten te worden gemaakt. De tekst dient te worden uitgevoerd in zwarte letters tegen een beeldvullende witte achtergrond. Het gekozen lettertype moet een zakelijk karakter hebben en van een voldoende groot formaat zijn, zodat de tekst gedurende 30 seconden goed leesbaar is.

4.25.
De tekst van de te tonen rectificatie dient te luiden:

‘RECTIFICATIE

In deze aflevering wordt onder meer meegedeeld dat:

- de heer [eiser sub 1] betrokken is geweest bij de door [onderneming 2] aan huurder [A] in rekening gebrachte bemiddelingskosten;

- [onderneming 2] failliet zou zijn gegaan en dat de heer [eiser sub 1] en mevrouw [eiseres sub 2] dit opzettelijk zouden hebben gedaan om schuldeisers te ontlopen;

- [eiser sub 4] B.V. zou zijn opgericht om onder de regels uit te komen;

- [eiser sub 3] B.V. een doorstart zou zijn van [onderneming 2] .

Deze mededelingen worden onvoldoende door feiten gedragen.

De voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland heeft bij vonnis van 11 juli 2019 BNNVARA veroordeeld tot het plaatsen van deze rectificatie.

BNNVARA’