1 mei 2026
OM-persbericht niet onrechtmatig: geen verwijdering of rectificatie toegewezen
Rb. Den Haag 1 mei 2026, IEF23559; ECLI:NL:RBDHA:2026:10277 ([eiseres] tegen de Staat). In een kort geding bij de Rechtbank Den Haag staat de vraag centraal of een persbericht van het OM over een sepotbeslissing jegens politieagenten onrechtmatig is tegenover de ouders van een overleden man. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen tot verwijdering en rectificatie af. De zaak vindt haar oorsprong in een incident in augustus 2020, waarbij de zoon van [eisers] in Amsterdam na een confrontatie met de politie om het leven is gekomen. Hij verkeerde in verwarde toestand en had een mes bij zich. Na een achtervolging werd hij ingesloten en werd geprobeerd hem onder controle te krijgen met onder meer pepperspray en een politiehond. Toen dat niet lukte, hebben twee agenten geschoten. De zoon is ter plaatse overleden. Na onderzoek door de Rijksrecherche besloot het OM de betrokken agenten niet te vervolgen, omdat sprake zou zijn geweest van noodweer. In een persbericht van 17 mei 2021 heeft het OM deze beslissing toegelicht. Daarin is onder meer vermeld dat een agent met een mes op zijn vest werd geraakt. [eisers] stellen dat dit persbericht een onjuiste en misleidende voorstelling van zaken geeft. Volgens hen is niet vastgesteld dat daadwerkelijk in het vest is gestoken; uit later forensisch onderzoek zou blijken dat geen steeksporen zijn aangetroffen. Ook menen zij dat het OM ten onrechte niet heeft vermeld dat nog een klachtprocedure ex artikel 12 Sv loopt tegen de sepotbeslissing. De publicatie zou daarom onrechtmatig zijn en hun eer en goede naam aantasten, ook zou het de nagedachtenis van hun zoon schaden. Zij vorderen verwijdering van het persbericht en plaatsing van een rectificatie. De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij de beoordeling een belangenafweging moet plaatsvinden tussen enerzijds het belang van [eisers] om niet te worden geconfronteerd met onjuiste of schadelijke publicaties, en anderzijds het belang van het OM om het publiek te informeren over beslissingen van algemeen belang, zoals een sepot in een zaak met dodelijke afloop.
Hoewel het persbericht dateert uit 2021, acht de rechtbank het spoedeisend belang aanwezig, mede gezien de gestelde voortdurende reputatieschade en de persoonlijke impact voor [eisers]. De kernvraag is vervolgens of het persbericht feitelijk onjuist en daarmee onrechtmatig is. De voorzieningenrechter beantwoordt die vraag ontkennend. Van belang is dat het persbericht een weergave vormt van de sepotbeslissing en de daarin opgenomen verklaringen van politieagenten. De formulering dat een agent “op zijn vest werd geraakt” vindt voldoende steun in die verklaringen. Dat latere rapporten tot andere conclusies komen, maakt niet dat het OM gehouden was die alternatieve lezing in het oorspronkelijke persbericht op te nemen of dat de publicatie achteraf onrechtmatig wordt. Ook het verwijt dat het OM had moeten vermelden dat een artikel 12 Sv-procedure loopt, slaagt niet. Het achterwege laten daarvan maakt de publicatie niet misleidend. De voorzieningenrechter verwerpt daarnaast het beroep op de onschuldpresumptie en een gestelde “slachtofferpresumptie”. In het persbericht wordt geen oordeel gegeven over de strafbaarheid van het handelen van de zoon, zodat van schending van de onschuldpresumptie geen sprake is. Evenmin is aannemelijk dat de positie van de zoon als slachtoffer wordt miskend. Ten slotte volgt de rechtbank [eisers] niet in hun stelling dat de publicatie de klachtprocedure kan beïnvloeden. Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat de rechterlijke oordeelsvorming daardoor wordt geraakt. Alles afwegende oordeelt de rechtbank dat het OM in dit geval het publiek mag blijven informeren over de toenmalige sepotbeslissing in een zaak van algemeen belang, en dat dit belang zwaarder weegt dan het belang van [eisers] bij verwijdering of aanpassing van het persbericht. Nu niet aannemelijk is geworden dat de publicatie onjuist of onrechtmatig is, worden de vorderingen afgewezen. [eisers] worden veroordeeld in de proceskosten.
4.9. Aan de perspublicatie ligt de sepotbeslissing van 17 mei 2021 ten grondslag. In de sepotbeslissing wordt onder meer een samenvatting gegeven van de verklaringen van diverse politieagenten die bevestigen dat [politieagent 1] door het mes van [zoon van eisers] op zijn veiligheidsvest is geraakt, onder wie [politieagent 4] en [politieagent 3] . Mede op basis van die verklaringen heeft het OM de beslissing genomen om de politieagenten niet te vervolgen. De perspublicatie bevat vervolgens een weergave van de conclusies die het OM heeft getrokken, waarbij een beschrijving is gegeven van de overwegingen die daaraan ten grondslag hebben gelegen. Dat die weergave ongefundeerd is, is niet aannemelijk geworden. De weergave vindt immers in voldoende mate steun in het feitenmateriaal dat ten tijde van de publicatie beschikbaar was, zodat niet valt in te zien waarom het OM de daaruit getrokken conclusies niet in een perspublicatie naar buiten zou mogen brengen. Dat in de door eisers aan de aangifte van 19 januari 2024 ten grondslag gelegde rapporten (zie hiervoor in 2.9.) andere conclusies worden getrokken, betekent niet dat de in de sepotbeslissing en de perspublicatie gedane uitlatingen daarmee onjuist en onrechtmatig worden en evenmin dat daardoor op het OM de verplichting rust om andere mogelijke interpretaties van het beschikbare feitenmateriaal alsnog in de perspublicatie te vermelden. Datzelfde geldt voor de omstandigheid dat er nog een artikel 12 Sv-procedure loopt, zoals eisers hebben betoogd. Het niet (alsnog) vermelden van die procedure in de perspublicatie is niet misleidend of anderszins onrechtmatig. Voor het verwijderen van de perspublicaties of een rectificatie daarvan bestaat bij die stand van zaken geen aanleiding.
4.11. Verder hebben eisers nog gesteld dat de objectieve behandeling van de klachtprocedure door de perspublicatie wordt bedreigd. Aan dit betoog moet de voorzieningenrechter voorbij gaan. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat de inhoud van de perspublicatie, ook als die rondom de behandeling van het artikel 12 Sv-verzoek hernieuwde aandacht zal krijgen, de oordeelsvorming in de klachtprocedure zal kunnen beïnvloeden. Bovendien heeft de Staat terecht opgemerkt dat het standpunt van het OM, zoals dat in de perspublicatie is verwoord, ook na een eventuele verwijdering/rectificatie daarvan in de klachtprocedure alsnog door het OM ter kennis van het hof zal worden gebracht. Ook dit argument van eisers rechtvaardigt daarom niet dat de perspublicatie wordt verwijderd of gerectificeerd.
4.12. Ten slotte leidt ook een belangenafweging niet tot een ander oordeel. Voor zover eisers hebben betoogd dat zij er belang bij hebben dat de bewoordingen in de perspublicatie worden genuanceerd, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het belang van de Staat (het OM) bij het kunnen (blijven) informeren van de samenleving over de beslissing om de politieagenten (destijds) niet te vervolgen voor hun betrokkenheid bij de dood van [zoon van eisers] in de gegeven omstandigheden moet prevaleren.