IEF 19802

Octrooibureau laat na octrooihouder te waarschuwen

Hof 's-Hertogenbosch 9 februari 2021, IEF 19802, ECLI:NL:GHSHE:2021:363 (Brabants Octrooibureau tegen geïntimeerde) Geïntimeerde heeft een kort geding aangespannen tegen iemand die volgens hem inbreuk maakte op zijn octrooi. Dit verloor hij. Het Brabants Octrooibureau, dat het octrooi aan geïntimeerde heeft verleend, maakte een factuur op waarin de kosten voor het voorbereiden en bijwonen van de zaak bij geïntimeerde in rekening gebracht. Geïntimeerde ging niet met deze factuur akkoord en stelde dat het Brabants Octrooibureau hem onvoldoende had gewaarschuwd voor de risico's die hingen aan het aanspannen van het kort geding. De rechtbank stelde hem op dit punt in het gelijk, het hof heeft dat nu bekrachtigd.

6.12 Voor de beoordeling van de civielrechtelijke aansprakelijkheid geldt als maatstaf dat een opdrachtnemer zijn werkzaamheden dient te verrichten met de zorg die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend opdrachtnemer in gelijke omstandigheden mag worden verwacht (artikel 7:401 BW). Het advies van de Raad van Toezicht van 25 juni 2019 geeft naar het oordeel van het hof een goed hanteerbare concretisering van deze maatstaf voor de beoordeling van de werkzaamheden van een octrooigemachtigde en, in dit geval, voor de wijze waarop Brabants Octrooibureau in de persoon van [ingenieur] de werkzaamheden heeft uitgevoerd. Bij toepassing van genoemde maatstaf neemt het hof in aanmerking dat [geïntimeerde] op het terrein van het octrooirecht en het procesrecht heeft te gelden als leek en dat hij op die terreinen niet over enige relevante ervaring beschikte. Verder neemt het hof in aanmerking dat bij de begeleiding van de aanvraag van het octrooi en het optreden tegen de (vermeende) inbreuk daarop alleen Brabants Octrooibureau adviseur van [geïntimeerde] was. [advocaat eerste aanleg] is pas in een later stadium, met het oog op het daadwerkelijk aanhangig maken van het kort geding, in beeld gekomen.

6.13 Naar het oordeel van het hof kan onder deze omstandigheden de beoordeling door de Raad van Toezicht in de tuchtprocedure tot uitgangspunt worden genomen voor de beoordeling van de civielrechtelijke aansprakelijkheid van Brabants Octrooibureau. Met haar advies van 26 juni 2008, hiervoor in rechtsoverweging 6.2 onder 2.2. weergegeven, waarin Brabants Octrooibureau de mogelijkheid van het entameren van een kort geding heeft besproken en daarover derhalve heeft geadviseerd, heeft Brabants Octrooibureau de toon gezet wat betreft de kans op succes bij optreden tegen [naam] en de financiële risico’s die aan dergelijk optreden verbonden zijn. De latere correspondentie is in de lijn van dit initiële advies en doet aan de strekking van de advisering van Brabants Octrooibureau over deze kwestie niet wezenlijk af. Het waarschuwen voor financiële risico’s bij het aanhangig maken van een kort geding behoorde tot de taak van Brabants Octrooibureau als enige inhoudelijke adviseur van [geïntimeerde] .