IEF 18461

NRC mag naam hoogleraar UvA niet publiceren nu dit niet bijdraagt aan #MeToo debat

Rechtbank Amsterdam 13 mei 2019, IEF 18461; IT 2778, ECLI:NL:RBAMS:2019:3451 (X tegen NRC Media) Privacyrecht. Mediarecht. Eiser is hoogleraar geweest aan de rechtenfaculteit van de Universiteit van Amsterdam. Wegens een onderzoeksrapport waarin hem grensoverschrijdend gedrag wordt verweten besluit hij ontslag te nemen. Hierover was NRC van plan een artikel te publiceren. Eiser stelt dat dit artikel onrechtmatig is, omdat het onvoldoende steun vindt in het feitenmateriaal. Hierna moeten dus het recht op vrijheid van meningsuiting en het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer tegen elkaar worden afgewogen. Het artikel draagt bij aan het publieke debat. Daarnaast is eiser een publieke figuur. Ook is zijn voorgespiegelde gedrag zodanig geweest dat hieraan het waardeoordeel ‘grensoverschrijdend gedrag’ mag worden verbonden. Echter is hier onvoldoende bewijs voor, en zal een dergelijke publicatie grote gevolgen hebben. Ook zal het noemen van de naam van eiser niets bijdragen aan het publieke debat. Derhalve wordt NRC Media verboden de voor- en/of achternaam van eiser te noemen, en veroordeeld in de proceskosten.

4.1. Het gaat in deze zaak om een botsing van twee fundamentele rechten, het recht op de vrijheid van meningsuiting van NRC, zoals verankerd in artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), en het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van eiser, zoals gewaarborgd in artikel 8 van dat verdrag. Er bestaat geen rangorde tussen beide rechten. Het antwoord op de vraag welk van deze beide rechten in dit geval zwaarder weegt, hangt af van alle omstandigheden van het geval, waarbij de wederzijdse belangen moeten worden afgewogen.

4.6. Ook wordt de opvatting van NRC gedeeld, dat het gedrag van eiser zelf (uitgaande van de juistheid van een (groot) deel van de gedragingen/beschuldigingen beschreven in het artikel) – zoals ook het bureau BK&S en de UvA hebben geoordeeld – zodanig is geweest dat NRC hieraan het waardeoordeel ‘grensoverschrijdend gedrag’ mag verbinden en dat het NRC vrij staat hierover te publiceren. In de gegeven omstandigheden wordt echter geoordeeld dat dat onvoldoende is om eiser met volledige naam (en mogelijk ook met foto) in het artikel te vermelden en daarmee (in de lengte der jaren, bijvoorbeeld door social media) aan de schandpaal te nagelen. Vooralsnog is, gezien de grote vlucht die de social media hebben genomen en alle commentaren die in de regel op uitingen van deze aard via internet te vinden zijn, voldoende aannemelijk gemaakt dat het noemen van zijn naam dergelijke gevolgen zal hebben. Van belang is ook dat NRC bekend staat als kwaliteitskrant, zodat de daarin vermelde zaken, zeker wanneer deze als feiten worden gepresenteerd, door een groot publiek voor ‘waar’ zullen worden gehouden.

4.8. Voor het publieke debat over deze #metoo-kwestie is het niet nodig dat de naam van eiser wordt genoemd. Binnen zijn eigen professionele kringen zal (vrijwel) iedereen, voor zover dat niet al het geval is, snel weten dat het over hem gaat, ook als zijn naam niet wordt genoemd. Het argument van NRC dat door het niet noemen van zijn naam de gebeurtenissen worden gebagatelliseerd en de indruk wordt gewekt dat er niet over gesproken mag worden, wordt niet gevolgd. Het feit dat dit artikel in de krant staat, waardoor in zijn professionele kringen bekend zal zijn dat het over eiser gaat, zal vanzelfsprekend tot gevolg hebben dat er wel over wordt gesproken en dat in die kringen zijn naam ook zal worden genoemd. Een verdergaande inbreuk op zijn privacy en die van zijn gezin door het noemen van zijn naam in het artikel is in de gegeven omstandigheden niet gerechtvaardigd.

4.11. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de onder 4.1 genoemde belangenafweging uitvalt in het voordeel van eiser. De enige beperking die aan de uitingsvrijheid van NRC wordt opgelegd, namelijk het niet noemen van de naam van eiser (en het niet tonen van zijn foto), is voldoende gerechtvaardigd, noodzakelijk ter bescherming van de privacybelangen van eiser en niet disproportioneel, waarmee het aan de vereisten genoemd in lid 2 van artikel 10 EVRM voldoet.