18 mrt 2026
Kopieer citeerwijze ||
Debonair Trading Internacional Lda. (Zona Franca da Madeira) tegen EUIPO en Loewe SA
Normaal gebruik en verwarringsgevaar tussen AOURA en AURA LOEWE
Gerecht EU 18 maart 2026, IEF 23371; ECLI:EU:T:2026:193 (Debonair Trading Internacional Lda. (Zona Franca da Madeira) tegen EUIPO en Loewe SA). Debonair Trading vraagt inschrijving van het Uniewoordmerk AOURA voor parfumerie en aanverwante cosmetische producten in klasse 3, waartegen Loewe oppositie instelt op basis van haar oudere Uniewoordmerk AURA LOEWE voor “perfumery, cosmetics”. De oppositiedivisie acht normaal gebruik van AURA LOEWE in de periode 26 maart 2016–25 maart 2021 bewezen en wijst de oppositie toe voor alle betrokken waren. Debonair gaat tevergeefs in beroep bij de kamer van beroep en vordert vervolgens bij het Gerecht vernietiging van de beslissing (inclusief de kostenbeslissingen) en vergoeding van haar kosten. Het Gerecht verklaart de globale verwijzing naar de bij EUIPO ingenomen stellingen niet‑ontvankelijk, omdat een beroep zelfstandig de wezenlijke middelen moet bevatten. Inhoudelijk beroept Debonair zich op twee middelen: schending van artikel 47 UMVo (onterecht aanvaarden van het gebruiksbewijs) en artikel 8 lid 1 onder b UMVo (geen verwarringsgevaar). Ten aanzien van artikel 47 bevestigt het Gerecht de gebruiksnorm en oordeelt het dat gebruik van een rebranded variant, waarin LOEWE groter boven AURA staat, een toelaatbare afwijking is die het onderscheidende karakter van het woordmerk AURA LOEWE niet wijzigt. Het bewijs moet globaal worden beoordeeld: persknipsels en social‑mediastukken met mindere kwaliteit kunnen worden ondersteund door onder meer website‑uittreksels, facturen en advertenties; ongedateerde stukken en stukken net buiten de relevante periode mogen meewegen om continuïteit te staven. Dat sommige bewijsstukken geen bronvermelding hebben of producten “out of stock” of met korting tonen, doet aan de vaststelling van normaal gebruik voor parfumeriewaren in klasse 3 niet af. Het eerste middel wordt volledig verworpen.
Met betrekking tot artikel 8 lid 1 onder b gaat het Gerecht uit van het EU‑publiek, met focus op het Spaans‑ en Italiaanstalig niet‑Duitstalig publiek, met een gemiddeld aandachtsniveau. De betrokken parfums en cosmetica zijn identiek of gemiddeld soortgelijk. AURA en LOEWE in het oudere merk zijn beide onderscheidend: AURA heeft in het Spaans/Italiaans een metaforische betekenis (“sfeer/uitstraling” rond een persoon) die de waar niet direct beschrijft, LOEWE is betekenisloos; geen van beide domineert. AOURA is op zichzelf betekenisloos, maar kan door een niet‑verwaarloosbaar deel van het publiek met AURA worden geassocieerd en heeft eveneens normale onderscheidingskracht. Visueel is er een geringe mate van overeenstemming (AURA en AOURA delen bijna alle letters in dezelfde volgorde; de extra “o” valt nauwelijks op en de toevoeging LOEWE neutraliseert de gelijkenis niet volledig), fonetisch een gemiddelde (AURA en AOURA klinken in het Spaans/Italiaans nagenoeg hetzelfde en LOEWE neemt die gelijkenis niet weg) en conceptueel een gemiddelde mate van overeenstemming voor het deel van het publiek dat AOURA met AURA verbindt; LOEWE blijft betekenisloos. In de globale beoordeling, gelet op identieke/soortgelijke waren, de ondergemiddelde visuele en gemiddelde fonetische en conceptuele gelijkenis en de gemiddelde onderscheidingskracht van AURA LOEWE, bevestigt het Gerecht dat een reëel verwarringsgevaar bestaat dat het publiek de waren aan dezelfde of economisch verbonden ondernemingen toeschrijft. Beroep op een eerdere UKIPO‑beslissing en EUIPO‑praktijk wordt afgewezen wegens de autonomie van het Uniemerkensysteem; de motiveringsklacht faalt eveneens. Het beroep wordt in zijn geheel verworpen en de oppositiebeslissing, inclusief de kostenlast ten nadele van Debonair, blijft in stand.
119 In the present case, in view of the average level of attention of the relevant public, the identity or similarity to an average degree of the goods at issue, the lower than average degree of visual similarity, the average degree of phonetic similarity, and the average degree of conceptual similarity of the signs at issue, at least for a non-negligible part of the relevant public, the Board of Appeal was entitled to conclude, also taking into consideration the average distinctive character of the earlier mark, that there was a likelihood of confusion between the signs at issue for that public. In the light of those factors, the risk that that public might be led to believe that the goods in question come from the same undertaking or from economically linked undertakings cannot be ruled out.
120 With regard to the applicant’s arguments based on the decision of the United Kingdom Intellectual Property Office of 13 January 2022, it must be recalled that the EU trade mark regime is an autonomous system with its own set of objectives and rules peculiar to it; it applies independently of any national system. Accordingly, EUIPO and, if appropriate, the Courts of the European Union are not bound by a decision given in a Member State, or indeed a third country, that the sign in question is registrable as a national mark (judgment of 27 February 2002, Streamserve v OHIM (STREAMSERVE), T‑106/00, EU:T:2002:43, paragraph 47).
121 With regard to the arguments based on previous decisions of EUIPO, it must be recalled that EUIPO is required to decide on the basis of the circumstances of each individual case and that it is not bound by previous decisions taken in other cases. The legality of the decisions of the Boards of Appeal must be assessed solely on the basis of Regulation 2017/1001 and not on the basis of any previous decision-making practice of those boards. Furthermore, in its review of legality, the Court is not bound by the decision-making practice of EUIPO (judgment of 15 December 2015, LTJ Diffusion v OHIM – Arthur et Aston (ARTHUR & ASTON), T‑83/14, EU:T:2015:974, paragraph 39 and the case-law cited).
122 Lastly, as regards the applicant’s argument that there was no adequate and convincing statement of reasons, it is sufficient to note, as is apparent from the reasoning followed in the contested decision, summarised in paragraph 115 above, concerning the global assessment of the likelihood of confusion, that the Board of Appeal set out in a clear and unequivocal manner the essential reasons why it considered that Article 8(1)(b) of Regulation 2017/1001 precluded, in the present case, registration of the mark applied for in respect of the goods concerned.
123 In those circumstances and in the absence of any argument capable of calling into question the Board of Appeal’s global assessment, it must be concluded that the Board of Appeal was entitled to find that there was a likelihood of confusion between the signs at issue.
124 In the light of the foregoing, the second plea in law must be rejected as unfounded and, consequently, the action must be dismissed in its entirety.