Gepubliceerd op maandag 7 september 2026
IEF 23799
Rechtbank Midden-Nederland ||
26 aug 2026,
Rechtbank Midden-Nederland 26 aug 2026,, IEF 23799; ECLI:NL:RBMNE:2026:6161 (eisers tegen [gedaagde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/muziekuitgaveovereenkomsten-opzegbaar-auteursrechten-moeten-na-zes-maanden-worden-terug-overgedragen

Muziekuitgaveovereenkomsten opzegbaar; auteursrechten moeten na zes maanden worden terug overgedragen

Rb. Midden-Nederland 26 augustus 2026, IEF 23799; ECLI:NL:RBMNE:2026:6161 (eisers tegen [gedaagde]). Eisers, een artiestenduo, sloten in 1996 met de rechtsvoorganger van gedaagde verschillende overeenkomsten over de exploitatie van hun muziek, waaronder afspraken over twee muziekfondsen, een voorschot van fl. 1,2 miljoen, een winstaandeel van 50% en overdracht van auteursrechten. De rechtbank verwerpt het standpunt van eisers dat de twee fondsen vennootschappen onder firma waren. Uit de inhoud van de overeenkomsten en de wijze waarop partijen daar gedurende ongeveer dertig jaar uitvoering aan hebben gegeven, volgt volgens de rechtbank dat sprake was van muziekuitgaveovereenkomsten met onderfondsen als handelsnaam van de muziekuitgeverij en niet van zelfstandig opererende vof’s. De vorderingen tot ontbinding, vereffening en verdeling worden daarom afgewezen. Ook bestaat geen recht op een aanvullende financiële eindafrekening over de latere jaren: het recht op 50% van de netto-opbrengst gold alleen gedurende de looptijd van de exclusieve optieovereenkomsten, die voor het ene fonds eindigde in 1996 en voor het andere, na verlenging, op 31 december 1998. Over die perioden hebben eisers afgerekend gekregen.

De rechtbank verwerpt vervolgens het beroep op art. 25f Aw. Voor het ene fonds ziet de optiebepaling niet op toekomstige werken, omdat de optietermijn bij het sluiten van de overeenkomst al was verstreken. Voor het andere fonds was wel sprake van een optie op toekomstige werken, maar de overeengekomen termijn van twee jaar, later met een half jaar verlengd, was volgens de rechtbank niet onvoldoende bepaald of onredelijk lang. Ook is niet gebleken dat de exploitatiebedingen, beoordeeld naar de omstandigheden ten tijde van het sluiten van de overeenkomsten, onredelijk bezwarend waren; latere ontwikkelingen zoals streaming en hernieuwde populariteit van oude muziek tellen bij die ex-tunctoets niet mee. Wel krijgen eisers gelijk bij de beëindiging van de exploitatieovereenkomsten en de retouroverdracht van de auteursrechten. Onder verwijzing naar vaste rechtspraak kwalificeert de rechtbank muziekuitgaveovereenkomsten waarbij auteursrechten voor de duur van het auteursrecht zijn overgedragen als duurovereenkomsten voor onbepaalde tijd die in beginsel opzegbaar zijn. Gelet op de ouderdom van de overeenkomsten, het feit dat investeringen en voorschot al lang waren terugverdiend en het ontbreken van noemenswaardige latere investeringen door gedaagde, was geen zwaarwegende opzeggingsgrond vereist. De opzegging van 6 maart 2026 werkt na een redelijke opzegtermijn van zes maanden per 6 september 2026. Vanaf dat moment moet gedaagde meewerken aan de terug-overdracht van de auteursrechten en de exploitatie van de muziekwerken staken. De proceskosten worden gecompenseerd.

Overeenkomsten bevatten geen onredelijk bezwarende bedingen

3.16

Eisers hebben een voorwaardelijke vordering ingesteld tot vernietiging van de bepaling(en) van de overeenkomsten, voor zover die inhouden dat [gedaagde] het recht heeft de overgedragen muziekwerken te exploiteren voor de duur van het auteursrecht van eisers zonder dat zij eisers daarvoor enige vergoeding hoeft te betalen. Volgens eisers zijn de bepalingen onredelijk bezwarend in de zin van artikel 25f lid 1 en lid 2 Aw. Omdat aan de voorwaarden van de vordering is voldaan, komt de rechtbank aan de beoordeling daarvan toe.

3.17

Lid 1 heeft betrekking op opties van de muziekuitgeverij op de exploitatie van toekomstige werken van de maker en bepaalt dat het niet is toegestaan om in een exploitatieovereenkomst voor een onredelijk lange of onvoldoende

bepaalde termijn opties te bedingen op toekomstige werken. Bij [bedrijf 2] ging het niet om toekomstige werken, want de exclusieve optietermijn was op het moment van sluiten van de overeenkomst al verstreken, zodat de bepaling hier toepassing mist. Bij [bedrijf 3] speelt de bepaling wel een rol. Bij een termijn van 2 jaar voor het inbrengen van toekomstige werken, die uiteindelijk met een half jaar is verlengd is geen sprake van een onvoldoende bepaalde termijn. Daarnaast is deze termijn naar het oordeel van de rechtbank ook niet onredelijk lang. Dat de in dit geval door de muziekuitgeverij bedongen optie de overdracht van het auteursrecht voor de gehele duur betreft, staat aan deze bepaling niet in de weg.

3.18

Dat betekent nog niet dat een dergelijk beding niet toch op grond van lid 2 onredelijk bezwarend kan zijn. Dit lid bepaalt dat een beding vernietigbaar is dat, gelet op de aard en overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen, de wederzijds kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden

van het geval, onredelijk bezwarend is voor de maker. Voor de toetsing zijn de omstandigheden die zich hebben voorgedaan voor of ten tijde van het sluiten van de overeenkomst (ex tunc) relevant en dus niet de omstandigheden die zich hebben voorgedaan na het moment van contractsluiting2.

3.19

De muziekuitgave-overeenkomsten hebben een aantal belangrijke kenmerken:

- [bedrijf 1] heeft aan eisers een fors voorschot betaald van fl. 1,2 mln;

- In ruil daarvoor dragen eisers gedurende een periode van in totaal drie jaar de auteursrechten op hun in die periode gemaakte muziekwerken die zij openbaar willen maken over aan [bedrijf 1] ;

- Eisers ontvangen daarvoor gedurende de looptijd van de overeenkomsten 50% van de exploitatieopbrengsten;

- Vanaf het moment dat het voorschot is ingelopen, in 1999, ontvangen eisers (weer) rechtstreeks van Buma/Stemra hun 2/3 aandeel in de royalty’s.

3.20

Volgens eisers is er sprake van een extreem onevenwichtige situatie omdat zij op grond van de overeenkomsten slechts over een relatief korte periode van drie jaar een royalty-percentage van 50% ontvingen van de muziekuitgeverij, terwijl de uitgeverij daar tegenover voor de gehele duur van het auteursrecht van eiser recht heeft op exploitatie zonder dat eisers daarvoor verder nog iets terug ontvangen. De aard van de muziekindustrie kenmerkt zich echter door een relatief hoge doorlooptijd. Muziekwerken zijn/waren vaak maar gedurende een relatief korte periode na het uitbrengen daarvan populair. Het merendeel van de exploitatieopbrengsten werd in die periode verdiend en daalde daarna. Dat blijkt ook wel uit de afrekeningen die eisers later nog van de rechtsopvolger van [bedrijf 1] ontvingen over 2007 en 2008 (EP 15 en 17). Daar gaat het nog maar om een paar honderd euro per jaar, terwijl het in de jaren 1996-1998 nog om tonnen (in guldens) ging. Over die in verhouding (hoge) inkomsten, hebben eisers 50% van de opbrengst ontvangen. Daarnaast ontvangen zij tot op de dag van vandaag nog steeds 2/3 deel van de Buma Stemra-inkomsten op hun muziekwerken, terwijl de muziekuitgeverij daarvan 1/3 deel ontvangt. Dat de muziekuitgeverij naast de Buma Stemra-inkomsten nog andere substantiële inkomsten uit de exploitatie van de muziekwerken ontvangt, is de rechtbank niet gebleken.

3.21

Eisers hebben betoogd dat het verdienmodel in de loop der jaren is veranderd met nu onder andere de mogelijkheid van streamen, de hernieuwde populariteit van happy hardcore en dat de populariteit van ‘oude’ muziekwerken van de artiest toeneemt (en dus een hogere aantal streams oplevert) als een nieuw uitgebracht muziekwerk erg populair wordt. Dit zijn echter omstandigheden die zich voordoen na het moment van sluiten van de overeenkomst en waarmee dus geen rekening mee kan worden gehouden, nu het bij de toepassing van artikel 25f Aw gaat om een ex tunc-toetsing.

3.22

Van de door eisers gestelde extreem onevenwichtige situatie is de rechtbank dan ook niet zonder meer gebleken. Daarbij speelt ook een rol dat eisers bij de onderhandeling en totstandkoming van de overeenkomsten werden bijgestaan door ervaren deskundigen.

3.23

De rechtbank beoordeelt de bedingen dan ook niet onredelijk bezwaarlijk in de zin van artikel 25f lid 1 en 2 Aw, zodat de onder 6. gevorderde vernietiging van de betreffende bepalingen zal worden afgewezen.