IEF 19306

Monstermateriaal en testgegevens inbrengen in inbreukprocedures

Vzr. Rechtbank Den Haag 19 juni 2020, IEF 19306; ECLI:NL:RBDHA:2020:5687 (Rhodia tegen Neo) Kort geding. Octrooirecht. Neo c.s. moet gedogen dat Rhodia c.s. monstermateriaal en testgegevens inbrengt in Duitse octrooirechtelijke inbreukprocedures. Er wordt voldaan aan de vereisten van art. 843a lid 1 Rv en derhalve heeft Rhodia c.s. een rechtmatig belang bij de inbreng van monstermateriaal en testgegevens. Een groot deel van de vorderingen van Rhodia c.s. wordt dan ook toegewezen.

5.37. Ingevolge lid 1 van 843a Rv is de toewijsbaarheid van een op dat wetsartikel gebaseerde vordering aan de volgende voorwaarden gebonden. 1) De eiser tot exhibitie dient een rechtmatig belang te stellen en te hebben. 2) De vordering moet “bepaalde bescheiden” (dan wel ander bewijsmateriaal ex artikel 1019a lid 2 Rv) betreffen waarover 3) de verweerder daadwerkelijk de beschikking heeft of kan krijgen. 4) De eiser tot exhibitie dient partij te zijn bij de rechtsbetrekking waarop de gevorderde specifieke bescheiden zien, waarbij in artikel 1019a lid 1 Rv is bepaald dat een verbintenis uit onrechtmatige daad wegens inbreuk op een recht van intellectuele eigendom geldt als een dergelijke rechtsbetrekking.

5.48. Voor wat betreft het conclusiekenmerk van reduceerbaarheid, [vertrouwelijk]. Daarmee voldoet CZO 5078 aan dit conclusiekenmerk (zie onder 2.7 en 2.8). Neo c.s. heeft de juistheid van deze testresultaten niet inhoudelijk betwist, maar enkel betoogd dat niet is te controleren en te verifiëren of de tests door Rhodia Opérations op correcte wijze zijn uitgevoerd, dan wel of de conclusies die Rhodia Opérations heeft getrokken uit de tests correct zijn. Naar voorlopig oordeel bieden de testresultaten evenwel voldoende basis om te kunnen oordelen dat er een redelijk vermoeden is van (dreigende) inbreuk van CZO 5078 op EP 682. Zelfs al zou er aanleiding zijn te twijfelen aan de uitvoering van de tests of de daar aan te verbinden conclusies - waarbij Neo c.s. overigens niet nader heeft toegelicht waarom daaraan getwijfeld zou moeten worden - dan nog zijn de testresultaten doorslaggevend, nu de drempel voor het aantonen van een redelijk vermoeden van (dreigende) inbreuk ingeval van het verkrijgen van technisch inbreukbewijs relatief laag is (vergelijk r.o. 5.39).

5.50. Gezien het voorgaande, liggen de vorderingen genoemd in 3.1 onder 1 onder a tot en met d voor toewijzing gereed, in die zin dat Neo c.s. zal worden bevolen te gehengen en te gedogen dat Rhodia Opérations de betreffende monstermaterialen en testresultaten in de Duitse inbreukprocedures inbrengt. Daarbij zal de voorzieningenrechter, zoals gevorderd, het verzoek aan de Duitse rechter om het bewijsmateriaal vertrouwelijk te behandelen, opnemen in het dictum, nu partijen het erover eens zijn dat vertrouwelijke behandeling aangewezen is.