IEF 19767

Mijlpaalarrest: Ster Woningen tegen Stermij

HR 6 december 1996, IEF 19767; ECLI:NL:HR:1996:ZC2223 (Ster Woningen tegen Stermij) Stermij werd op 4 december 1979 ingeschreven in het handelsregister te Meppel en na wijziging van haar statutaire zetel op 8 juli 1994 in het handelsregister te Etten-Leur. De bedrijfsomschrijving van Stermij luidt: 'Het aannemen en uitvoeren van metselwerken en timmerwerken en voegwerkzaamheden, alles in de meest ruime zin des woords'. Ster Woningen werd in 1993 opgericht en ingeschreven in het handelsregister te Breda. De bedrijfsomschrijving van Ster Woningen luidt: ‘Het aannemen en onderaannemen en uitvoeren van werken op het gebied van burgerlijke en utiliteitsbouw, alsmede van grondwerken, koop en verkoop van onroerende zaken’. Volgens de kantonrechter bestaat het kenmerkende deel van beide handelsnamen uit het woord 'Ster'. Daarom werd Stermij veroordeeld om haar handelsnaam te wijzigen in ‘Werkmij BV’. Volgens de rechtbank heeft het woord 'Ster' een zwak onderscheidend vermogen, zodat in de handelsnamen een grote gelijkenis nodig is, wil er verwarringsgevaar te duchten zijn. Dit is niet gebleken nu de beide handelsnamen zowel visueel als auditief aanmerkelijk van elkaar verschillen. Het feit dat beide ondernemingen in de bouwsector bedrijvig zijn, doet hieraan niet af. Tegen deze beschikking heeft Ster Woningen beroep in cassatie ingesteld. Geoordeeld wordt dat de rechtbank een juiste maatstaf heeft aangelegd en dat het oordeel geen blijk geeft van een verkeerde rechtsopvatting.   

3.4 Het middel is tevergeefs voorgesteld. De Rechtbank heeft de juiste maatstaf aangelegd door te onderzoeken of de handelsnamen in zo geringe mate van elkaar afwijken dat bij het publiek verwarring tussen de beide ondernemingen te duchten is. Dit onderzoek heeft haar geleid tot de slotsom dat zodanige verwarring in dit geval niet te vrezen is.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat het in beide handelsnamen voorkomende woord ‘’Ster’’ op zichzelf een zwak onderscheidend vermogen heeft. Hiervan uitgaande heeft zij vervolgens onderzocht of de beide handelsnamen, in hun geheel beschouwd, toch een zo grote gelijkenis vertonen dat het bedoelde gevaar te duchten is. Op grond van de visuele en auditieve verschillen tussen de beide namen heeft zij geoordeeld dat dit niet het geval is.

Dit oordeel en de overige hiervoor in 3.3 weergegeven oordelen geven niet blijk van een verkeerde rechtsopvatting en kunnen, daar zij berusten op waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet verder op juistheid worden getoetst. Zij zijn niet onbegrijpelijk noch onvoldoende gemotiveerd.