IEF 19840

Mijlpaal: Raiffeisen- und Volksbanken tegen Centrale Raiffeisen-Bank

HR 6 januari 1967, IEF 19840, ECLI:NL:HR:1967:AB3883 (Raiffeisen- und Volksbanken tegen Centrale Raiffeisen-Bank) De Centrale Raiffeisen-Bank, een van de banken die later zijn gefuseerd tot de Rabobank, was in een handelsnaamconflict beland met de Raiffeisen- und Volksbanken. Laatstgenoemde had een bijkantoor in Zevenaar bekend onder de naam: "Raivo Verzekering Maatschappij". De Centrale Raiffeisen-Bank was van mening dat zowel de naam van het bijkantoor als die van de Raiffeisen- und Volksbanken verwarringsgevaar veroorzaken als bedoeld in art. 5 Handelsnaamwet. Het Hof verklaarde dat de mate van afwijking voldoende gering was om te kunnen spreken van verwarring. Dit wordt vervolgens door de Hoge Raad bekrachtigd. 

In dit arrest zijn twee belangrijke regels naar voren gekomen met betrekking tot het handelsnaamrecht:

1) De rechtmatigheid van het voeren van een handelsnaam moet beoordeeld worden naar de situatie op het tijdstip dat de procedure tegen de jongere handelsnaam aanhangig is gemaakt.

2) Niet alleen de kans dat de beide ondernemingen met elkaar worden vereenzelvigd geldt als gevaar voor verwarring, maar ook de mogelijkheid dat bij het publiek de indruk gevestigd wordt dat beide ondernemingen deel uitmaken van dezelfde organisatie.

"dat uit het verband van bovenstaande overwegingen blijkt dat het Hof met het oog op de zich hier voordoende omstandigheden van oordeel was dat ook de door Raiffeisen- und Volksbanken voor het bijkantoor te Zevenaar gevoerde handelsnaam Raivo Verzekering Maatschappij van de door de Centrale Raiffeisen-Bank gevoerde handelsnaam in zo geringe mate verschilt dat met het oog op het daaruit in verband met de aard der ondernemingen en de plaats waar zij gevestigd zijn voortvloeiende verwarringsgevaar, aan Raiffeisen- und Volksbanken ook het blijven voeren van een handelsnaam waarin het woord ‘’Raivo’’ voorkomt, moest worden verboden;

dat het Hof, aldus op grond van een feitelijke waardering van de zich hier voordoende omstandigheden beslissende, geen blijk heeft gegeven van een onjuist inzicht in de samenhang van de beide in artikel 5 van de Handelsnaamwet genoemde vereisten en dit in het bijzonder niet heeft gedaan door bij zijn beoordeling van de overeenkomst en de afwijking tussen de woorden ‘’Raiffeisen’’ en ‘’Raivo’’ mede te betrekken de omstandigheid dat het voor een aanmerkelijk deel van het publiek duidelijk was dat het tweede woord uit het eerste is afgeleid;"