IEF 20017

KvK moet wachten met nieuwe gebruikersvoorwaarden

Vzr. Rechtbank Midden-Nederland 4 juni 2021, IEF 20017, IT 3541; ECLI:NL:RBMNE:2021:2366 (VVZBI tegen KvK)  De Kamer van Koophandel heeft nieuwe gebruikersvoorwaarden vastgesteld. Daarin is bepaald dat voor het op schaal raadplegen van het handelsregister voortaan databankrechtelijke toestemming van de KVK vereist is. De VVZBI stelt dat op grond van deze nieuwe voorwaarden de verdere verspreiding, integratie en bewerking van handelsregistergegevens door commerciële marktpartijen ineens vergaand wordt gereguleerd en beperkt door de KVK en dat dat zeer grote gevolgen heeft voor de bedrijfsvoering van de leden. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan niet worden gezegd dat het handelsregister van de KVK niet als databank kwalificeert in de zin van de Databankenwet. Wel oordeelt de rechtbank dat de KvK op de uitspraak in de bodemprocedure moet wachten, alvorens zij de nieuwe voorwaarden doorvoert. 

3.32. Op grond van het voorgaande is de slotsom dat zowel ten aanzien van het gehanteerde begrip hergebruik als ten aanzien van de toelaatbaarheid van het doorgifteverbod een aantal vragen spelen die van belang zijn voor de beoordeling van het geschil tussen partijen en waarvan die beoordeling (zowel wat de diepte van het juridische als van het feitelijke debat dienaangaande aangaat) het beperkte kader van dit kort geding te buiten gaat. Ook is de slotsom dat, op het punt van het hergebruikbegrip en het algehele doorgifteverbod, niet in redelijkheid van de leden kan worden verlangd dat zij tegen 1 december a.s. de door de KVK gewenste voorwaarden accepteren, op straffe van uitgesloten te worden van de (huidige) dienstverlening door de KVK en dat hen daarmee de mogelijkheid wordt ontnomen om met behoud van die dienstverlening het oordeel van de bodemrechter af te wachten op de bedoelde geschilpunten. Dat er ook nog bijkomende geschilpunten tussen partijen zijn (zoals over de toelaatbaarheid van een verbod op scraping en over de bevoegdheid van de KVK om bij de leden audits te houden ter controle op de naleving van de gewenste nieuwe voorwaarden), kan naar zijn aard niet aan dit oordeel af doen. Aan de zijde van VVZBI telt bij dit oordeel mee dat de huidige dienstverlening door de KVK aan de leden op zodanige langdurige contracten is gebaseerd, dat van de KVK mag worden verlangd dat oordeel (in de reeds aanhangige bodemprocedure) af te wachten. Verder is hier van belang dat aannemelijk is dat de leden, wanneer zij van de huidige dienstverlening zouden worden afgesloten, daardoor in aanmerkelijke mate in hun bedrijfsvoering worden getroffen. Ook telt hier dat in de bodemprocedure zal blijken op welke termijn daarin een oordeel zal worden gegeven (anders gezegd: welke procedurele tussenstappen daarvoor nodig zullen zijn), aan de hand waarvan in dat bodemgeding altijd nog een voorziening kan worden gevraagd door de meest gerede partij ten aanzien van hun onderlinge rechten en plichten, voorafgaand aan dat eindoordeel.