IEF 19187

Incidentele vorderingen tot verwijzing

Rechtbank Gelderland 18 maart 2020, IEF 19187; ECLI:NL:RBGEL:2020:2480 (Eisers tegen gedaagden) Vonnis in incident. Uniemerken en Benelux-merken. Handelsnamen, auteursrechten, misleidende reclame. De eiseressen (verweersters in het incident) hebben hun eis in de hoofdzaak vermeerderd. Over de eis zelf en over de toelaatbaarheid van de vermeerdering als zodanig, wordt hangende dit incident nog niet beslist. Verwijzing naar rechtbank Den Haag op grond van exclusieve bevoegdheid Uniemerken. Verwijzing (arbeidsrechtelijke) vorderingen naar de kamer voor kantonzaken van deze rechtbank.

2.14.  In de zaak staan met name de volgende woord-/beeldmerkelementen centraal:

‘ [woord-/beeldmerkelement] ’; ‘ [woord-/beeldmerkelement] ’; ‘ [woord-/beeldmerkelement] ’; ‘ [woord-/beeldmerkelement] ’ en ‘ [woord-/beeldmerkelement] ’. Deze elementen zijn als zodanig of in een bepaalde combinatie Uniemerken, Beneluxmerken en/of handelsnamen.

2.15. In de zaak kan verder een aantal onderwerpen worden onderscheiden waarop nagenoeg alle initiële vorderingen van eiseressen en de vorderingen i) en ix) van gedaagden (eisers in het incident) betrekking hebben: Uniemerken; Beneluxmerken; handelsnamen; auteursrechten; misleidende reclame; dwangsommen (in samenhang met het vonnis van 24 oktober 2014). Elk onderwerp heeft op meer dan één vordering betrekking én op veel van de vorderingen hebben meerdere onderwerpen betrekking.

2.16. Gelet op het voorgaande is het aanbrengen van een (processueel) onderscheid tussen hetzij bepaalde vorderingen hetzij bepaalde onderwerpen, indien al mogelijk, niet doelmatig. Er bestaat tussen de hiervoor bedoelde vorderingen, ondanks onderlinge verschillen, een dusdanige onderlinge samenhang dat deze een gezamenlijke behandeling en beoordeling door één en dezelfde rechter vergen. De betrokken belangen – waaronder het belang van een goede en duidelijke procesorde – worden daarmee het best gediend, gelet op met name de beperking van het risico van tegenstrijdige uitspraken en mogelijk daaruit voortvloeiende executieproblemen. Hier komt bij dat ook gedaagden in hun akte hebben aangegeven dat ook zij vanuit een proceseconomisch oogpunt een gezamenlijke behandeling van alle vorderingen voorstaan. Hoewel dat deel van hun akte kennelijk alleen was gericht op een door hen voorgestane gezamenlijke behandeling van de arbeidsrechtelijke vorderingen met de resterende, niet op Uniemerken betrekking hebbende, vorderingen valt niet in te zien waarom hetzelfde niet zou gelden voor een gezamenlijke behandeling van die laatste vorderingen met de vorderingen die op de Uniemerken betrekking hebben.