IEF 19018

Inbreukvordering van High Point jegens KPN is in hoger beroep afgewezen

Hoge Raad 14 februari 2020, IEF 19018, IT 3035; ECLI:NL:HR:2020:258 (High Point tegen KPN) High Point is houdster van een Europees octrooi met gelding in onder meer Nederland voor een ‘Wireless access telephone-to-telephone network interface architecture’ (hierna: het octrooi). KPN biedt onder meer mobiele telecommunicatiediensten aan in Nederland, is eigenaar van verschillende netwerken in Nederland en is verantwoordelijk voor de dienstverlening op die netwerken. KPN heeft een nietigheidsprocedure ingesteld tegen het Nederlandse deel van het octrooi. High Point heeft een inbreukprocedure ingesteld tegen de inbreuk van KPN jegens het octrooi. De rechtbank heeft de nietigheidsvordering van KPN toegewezen en de inbreukvordering van High Point afgewezen. Het hof heeft dit oordeel bekrachtigd. High Point gaat hiertegen in hoger beroep. Dit hoger beroep wordt echter afgewezen, omdat de nationale procesrechtelijke regels vóór gaan op de centrale beperking; daar kan geen beroep op worden gedaan als dat - zoals hier - in strijd is met de goede procesorde.

3.4.2 In het oordeel van het hof ligt besloten dat het beroep van KPN op de centrale beperking van het octrooi moet worden aangemerkt als een beroep op een feit dat is voorgevallen of gebleken na het tijdstip van KPN’s memorie van antwoord, welk nieuw feit KPN – bij wijze van uitzondering op de tweeconclusieregel – in het geding na cassatie en verwijzing naar voren mocht brengen, om te voorkomen dat het geschil aan de hand van inmiddels achterhaalde of onjuist gebleken gegevens zou moeten worden beslist, en dat het aldus naar voren brengen van dat nieuwe feit niet in strijd komt met de eisen van een goede procesorde. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, reeds gelet op de door het hof genoemde omstandigheid dat het EOB pas tijdens de hiervoor in 2.4 genoemde cassatieprocedure heeft beslist op de door High Point verzochte centrale beperking (zie hiervoor in 2.5.1). Met dat oordeel is niet onverenigbaar dat High Point zich op haar beurt niet kan beroepen op die centrale beperking, gelet op de door het hof in de rov. 2.5-2.10 vermelde feiten en omstandigheden (hiervoor in 2.5.2 verkort weergegeven). Het beroep van KPN op de centrale beperking heeft immers slechts tot gevolg dat het debat over de geldigheid van het octrooi in de ruimere vorm is achterhaald, omdat het octrooi in die vorm niet meer bestaat (aldus het hof in rov. 2.2); het beroep van High Point op de centrale beperking zou daarentegen dwingen tot een nieuw debat over de geldigheid van het octrooi in de beperkte vorm (aldus het hof in rov. 2.6). Op een en ander stuit de hiervoor in 3.4.1 vermelde klacht af.

3.5.2 Deze klacht neemt terecht tot uitgangspunt dat aan de rechtbank uitsluitend de beoordeling van de geldigheid van het octrooi in de ruimere vorm was voorgelegd, maar ziet eraan voorbij dat hof het beroep van High Point op de centrale beperking van het octrooi buiten beschouwing heeft gelaten wegens strijd met de goede procesorde, wat betekent dat het hof niet is toegekomen – evenmin als de rechtbank – aan een inhoudelijke beoordeling van de geldigheid van het octrooi in de beperkte vorm. De bekrachtiging van het vonnis van de rechtbank berust op de in cassatie onbestreden overweging van het hof (in rov. 2.2) dat het octrooi in de ruimere vorm, gelet op art. 68 EOV, geacht moet worden nooit te hebben bestaan, zodat het eindoordeel van de rechtbank over de ongeldigheid van het octrooi in die ruimere vorm voor juist moet worden gehouden. Uit een en ander volgt niet – anders dan de klacht tot uitgangspunt neemt – dat de rechtbank, dan wel het hof het octrooi in de beperkte vorm op grond van een inhoudelijke beoordeling heeft vernietigd. Dat High Point zich in dit geding niet kan beroepen op het octrooi in de beperkte vorm is dus niet het gevolg van een inhoudelijke beoordeling en vernietiging van dat octrooi, maar vloeit louter voort uit de processuele gang van zaken in deze zaak, in het bijzonder het tijdstip waarop High Point een beroep heeft gedaan op de centrale beperking van het octrooi. Dit laat onverlet dat het zowel High Point als KPN in beginsel vrijstaat om de geldigheid van het octrooi in de beperkte vorm in een nieuw geding alsnog aan een inhoudelijke beoordeling te onderwerpen. De klacht kan dan ook niet tot cassatie leiden.