23 okt 2026,
Inbreuk op portretrecht door foto oud-medewerkster op bestelbus
Rb. Rotterdam 23 oktober 2026, IEF 23960; ECLI:NL:RBROT:2026:14300 ([persoon A] tegen [bedrijf]). In deze zaak oordeelt de rechtbank dat een bedrijf inbreuk heeft gemaakt op het portretrecht van een voormalig medewerkster door haar foto en naam jarenlang op een bestelbus te gebruiken. De vrouw werkte in 2009 via een uitzendbureau voor het bedrijf en werd tijdens haar werkzaamheden gefotografeerd. Volgens het bedrijf had zij door voor de foto te poseren impliciet toestemming gegeven voor commercieel gebruik. De kantonrechter volgt dit standpunt niet. Instemming met het maken van een foto betekent niet dat daarmee onbeperkt toestemming is gegeven voor het gebruik daarvan. Ook heeft het bedrijf niet aangetoond dat de vrouw op de hoogte was gesteld van de huisregels waarin het gebruik van personeelsfoto's zou zijn geregeld.
Nu het portret niet in opdracht van de vrouw was gemaakt, toetst de kantonrechter aan artikel 21 Auteurswet. De vrouw heeft een redelijk, persoonlijkheidsrechtelijk belang om zich tegen de openbaarmaking te verzetten. Zij mag zelf bepalen waarmee zij in verband wordt gebracht en hoeft niet te accepteren dat haar beeltenis wordt gebruikt voor reclame van het bedrijf. Dat de foto vijftien jaar oud is, doet hieraan niet af, mede omdat haar voor- en achternaam op de bestelbus stonden vermeld. De kantonrechter verbiedt het bedrijf het portret nog langer voor reclamedoeleinden openbaar te maken, op straffe van een dwangsom van € 250 per dag met een maximum van € 5.000. Daarnaast wordt een immateriële schadevergoeding van € 2.500 toegekend. Bij de vaststelling daarvan weegt mee dat de foto uitsluitend op één bestelbus is gebruikt, maar ook dat daarbij de voor- en achternaam van de vrouw werd vermeld.
3.6. De vraag blijft dan of [persoon A] er een redelijk belang bij heeft zich ertegen te verzetten dat de foto op een bestelbus van [bedrijf] staat. Dat heeft ze. [persoon A] is weliswaar geen fotomodel en heeft geen zakelijke belangen te verdedigen, maar een persoonlijkheidsrechtelijk belang heeft zij wel. [persoon A] wil dit simpelweg niet en ze heeft het recht dit niet te willen. Het is aan [persoon A] om te bepalen waarmee zij in verband gebracht wil worden. Zij wil niet dat men denkt dat zij bijklust voor [bedrijf] . In dit verband haalt [persoon A] aan dat zij inmiddels meer dan tien jaar als communicatieadviseur werkzaam is in het sociale domein. Ook wat die functie betreft, heeft zij er belang bij dat haar beeltenis niet overal voor gebruikt wordt.
3.7. [bedrijf] betoogt dat [persoon A] niet of nauwelijks nog herkenbaar is omdat de foto 15 jaar geleden is gemaakt. [persoon A] stelt echter van verschillende kanten op de bus attent te zijn gemaakt, wat niet is betwist door [bedrijf] . Bovendien stonden haar voor- en achternaam ook op de bus. Dat verweer slaagt dus niet.
3.8. [bedrijf] voert verder geen verweer tegen vordering 4. Wat [persoon A] daar vordert is naar het oordeel van de kantonrechter echter te ruim geformuleerd. ‘Iedere directe of indirecte inbreuk op haar portretrecht’ is te ruim omdat niet direct duidelijk is wat men zich daar precies nog wel en niet bij voor moet stellen. [bedrijf] wordt daarom verboden het portret van [persoon A] openbaar te maken op de manier zoals zij heeft gedaan met de bestelbus, dus in reclame voor haar bedrijf, met een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag dat [bedrijf] zich niet aan deze verplichting houdt, met een maximum van € 5.000,00.