IEF 18737

Inbreuk op octrooirecht voor geneesmiddelen tegen borstkanker


Hof Den Haag 17 september 2019, IEF 18737, LS&R 1741; ECLI:NL:GHDHA:2019:2648 (Novartis tegen Teva) Novartis is actief op het gebied van onderzoek, ontwikkeling en verhandeling van innovatieve geneesmiddelen. Novartis is houdster van het stofoctrooi EP 0 663 916 dat ziet op de stof everolimus, een immuunonderdrukkend geneesmiddel, en Europese octrooien voor “cancer treatment“ in de vorm van 6 afgesplitste octrooien (divisionals). Teva is een internationale farmaceutische onderneming die zich bezighoudt met de vervaardiging, distributie en verhandeling van generieke en innovatieve geneesmiddelen. Teva is houdster van marktvergunningen voor een generieke versie van everolimus. Novartis heeft Teva diverse malen bij brief gewezen op haar octrooirechten en Teva verzocht haar twee maanden voorafgaand aan een marktintroductie over een dergelijk voornemen te informeren. Teva heeft Novartis bij brief op de hoogte gesteld van het voornemen om Everolimus op de markt te brengen, onder meer voor behandeling van HR+ borstkanker. Na het bestreden vonnis heeft Teva dit product op de markt gebracht. In het onderhavige geschil maakt Teva inbreuk op het octrooirecht van Novartis.

4.46 Naar voorlopig oordeel van het hof is in elk geval EP 246 geldig te achten. Aangezien niet is bestreden dat het door Teva aangeboden generieke Everolimus Teva product onder de beschermingsomvang van dat octrooi valt en de door Novartis verzochte maatregelen reeds op grond daarvan toewijsbaar zijn, kan de vraag of er in het licht van de beslissing van de OD, dat EP 603 niet geldig is wegens toegevoegde materie, een serieuze niet te verwaarlozen kans bestaat dat EP 603 de oppositieprocedure of een bodemprocedcire niet zal overleven, geen beoordeling. 

4.47 Een afweging van de wederzijdse belangen leidt er niet toe dat niettegenstaande de inbreuk op het octrooi van Novartis aan Teva toch geen verbod opgelegd zou moeten worden. Weliswaar heeft Teva met haar generieke product reeds de markt betreden, maar naar Novartis onweersproken heeft verklaard heeft dit nog niet tot een prjsaanpassing voor haar product geleid, omdat de prjsstelling eerst in oktober opnieuw wordt beoordeeld. Het is de verwachting dat het al dan niet op de markt zijn van Teva met haar generieke product voor de door EP 246 onder bescherming gestelde indicatie daarop van invloed zal zijn. Door een verbod op te leggen tvordt derhalve zoveel mogelijk (alsnog) de status quo gehandhaafd. Aan Novartis kan ter zake van de handhaving van haar octrooien geen verwijt worden gemaakt, zij heeft Teva reeds vanaf 2017 op de hoogte gesteld van het bestaan ervan en steeds duidelijk gemaakt dat zij deze zou handhaven, hetgeen zij ook zonder enige node loze vertraging heeft gedaan. Dat Teva weer van de markt moet met haar product voor de door EP 246 beschermde indicatie, kort nadat zij deze heeft betreden, is een risico dat Teva heeft genomen. Novartis kan daaromtrent geen verwijt worden gemaakt. 

4.48 Uit het voorgaande volgt dat het gevorderde inbreukverbod als hierna te vermelden toewijsbaar is. Aangezien aanbieding door vermelding van Teva Everotimus voor de indicatie HR+ borstkanker in de G-standaard als inbreuk heeft te gelden, ziet het hof geen aanleiding Teva afzonderlijk te bevelen die aanbieding te rectificeren. In het licht van de toezegging van Teva dat zij bij toewijzing van een algemeen verbod een carve-out zal doorvoeren en de nodige maatregelen zal nemen om misbruik verderop in het kanaal te voorkometi (par 42 CvA), ziet het hof geen aanleiding naast het algemene inbreukverbod aan Teva een verbod tot onrechtmatig handelen op te leggen. Een dreiging van onrechtmatig handelen is door Novartis niet voldoende onderbouwd gesteld. Voor matiging van de gevorderde dwangsommen ziet het hof geen aanleiding, wel zullen de dwangsommen worden gemaximeerd op € 5.000.000,-.