IEF 19319

Inbreuk op auteursrechten door verkoop van illegale IPTV-pakketten

Vzr. Rechtbank Midden-Nederland 1 juli 2020, IEF 19319 ;C/16/502452 (Brein tegen IPTV-aanbieder) Kort geding. Brein is een stichting met als doel auteursrechtinbreuken te bestrijden. In het verleden heeft gedaagde via zijn vennootschap IPTV-pakketten verkocht. Deze IPTV-pakketten bieden via een hyperlink toegang tot ongeautoriseerd (illegaal) aanbod van beschermde films, tv-series en (live) streams van televisiekanalen. Op 27 oktober 2019 is bij vonnis onder meer bepaald dat gedaagde met de verkoop inbreuk maakt op de auteurs- en naburige rechten van de bij Brein aangesloten rechthebbenden. Vervolgens is een vaststellingsovereenkomst gesloten,waarin gedaagde - ook in persoon - heeft toegezegd te staken met de verhandeling en promotie van IPTV-pakketten en streamen uit illegale bron. Volgens Brein heeft gedaagde in 2019 al geprobeerd deze overeenkomst te omzeilen en probeert zij het nu weer. Brein vordert daarom wederom een bevel dat gedaagde moet stoppen met het aanbieden van hyperlinks of andere technische verwijzingen waarmee gebruikers toegang krijgen tot illegale content en dat zij dit ook gestaakt moet houden. Daarnaast vordert Brein opgave van a) alle bekende identificerende gegevens van de bij de verhandeling van de IPTV-pakketten betrokken partij(en) van de websites, b) de inkoopprijs van de verhandelde IPTV-pakketten en c) de winst die met de verkoop van de IPTV-pakketten is behaald.

Het is voldoende aannemelijk dat gedaagde direct betrokken is bij de websites en de verkoop van IPTV-pakketten, waarmee toegang wordt verkregen tot ongeautoriseerde content. Daarmee maakt gedaagde inbreuk op de auteursrechten en naburige rechten van de rechthebbenden. Een gebod tot staking van het aanbieden van hyperlinks met toegang tot illegale aanbod van beschermde werken wordt toegewezen met een dwangsom van € 10.000,- per dag(deel) tot een maximum van € 500.000,-. De vordering tot het verstrekken van gegevens van de (huidige) IPTV-websites (3 en 4) wordt toegewezen. De gsignaleerde situatie via IPTV-website 1 en IPTV-website 2 is al gestopt en valt daarom buiten het bestek van deze procedure.

3.12.       Brein  vordert onder II. opgave van diverse gegevens, die betrekking hebben op  zowel de websites [ IPTV website 3] en [ IPTV website 4] als [ IPTV website 1] en [ IPTV website 2] en  eventuele  andere kanalen.  Voor  wat betreft  de  laatste twee  websites  en eventuele andere kanalen zal de vordering worden afgewezen.  In het kader van deze procedure is eventueel
toewijsbaar een nevenvordering die samenhangt  met de gevraagde voorziening om het inbreukmakend  handelen  te staken. De in het verleden  gesignaleerde  situatie met betrekking tot [IPTV website 1] en [IPTV website 2] is al gestopt en valt dus buiten het bestek van deze procedure. Ook overigens heeft Brein niet (voldoende) gemotiveerd  waarom  zij in verband met deze websites eenspoedeisend  belang  heeft  bij de gevraagde  gegevens .

3.13.       Voor zover de vordering ziet op de websites [IPTV website 3] en [IPTV website 4] overweegt  de voorzieningenrechter  als volgt.
Brein vordert opgave van:
a) alle bekende identificerende gegevens van  de bij de verhandeling van I PTV-pakketten betrokken  personen,
b) de inkoopprijs van de I PTV-pakketten ,
c) de met de verkoop van  de IPTV-pakketten  behaalde winst, uitgesplitst per website . [gedaagde] maakt hiertegen  bezwaar en stelt dat de vordering te vaag en onbepaald is.

3.14.       Die vordering moet worden beoordeeld  aan de hand van de maatstaf van  artikel 843a Rv. Uit artikel  1 0 l 9a lid  1 Rv volgt dat een verbintenis uit onrechtmatige daad wegens in breuk op een recht van  intellectuele eigendom geldt als een rechtsbetrekking als bedoeld in artikel  843a Rv. Brein heeft ook een rechtmatig belang bij de gevorderde informatie  omdat zij zonder die informatie de omvang van de inbreuk en daarmee de door haar  (aangesloten) geleden schade niet kan begroten.  De informatie die Brein vordert is ook  voldoende bepaald.  Dat er sprake is van vertrouwelijke informatie  in de zin van artikel 1019a lid 3 Rv is niet gesteld of gebleken. De vordering zal daarom worden toegewezen  met dien verstande dat de termijn waarbinnen [gedaagde] de gegevens moet verstrekken, zal worden bepaald  op veertien dagen na betekening van dit vonnis. Ter voorkoming van misverstanden is ter zitting geverifieerd dat geen opgave wordt gevraagd  van  gegevens van  particulieren/eindgebruikers. Voor het opleggen  van  een dwangsom  bestaat  voldoende grond. Wel zal deze gematigd  worden op de op de manier zoals omschreven  in 4.4.