Gepubliceerd op donderdag 7 mei 2026
IEF 23539
HvJ EU ||
23 apr 2026
HvJ EU 23 apr 2026, IEF 23539; ECLI:EU:C:2026:340 ((M.M. Ristorazione Srl tegen Villa Ramazzini)), https://www.ie-forum.nl/artikelen/hvj-eu-geen-voorlopige-ie-maatregelen-zonder-bodemprocedure

HvJ EU: geen voorlopige IE-maatregelen zonder bodemprocedure

Hof van Justitie EU 23 april 2026, IEF 23539; ECLI:EU:C:2026:340 (M.M. Ristorazione Srl tegen Villa Ramazzini). Deze zaak gaat over een geschil tussen de Italiaanse ondernemingen M.M. Ristorazione en Villa Ramazzini over het gebruik van het teken “Mò Mò Pizza, Sapori e Salute”. Villa Ramazzini, houdster van het beeldmerk Mò Mò, had bij de rechtbank in Rome een voorlopige voorziening verkregen waarbij het gebruik van het teken werd verboden, verwijdering ervan werd bevolen en een dwangsom werd opgelegd. Villa Ramazzini stelde vervolgens geen bodemprocedure in om het merkinbreuk definitief vast te laten stellen. M.M. Ristorazione verzocht daarop om opheffing van de voorlopige maatregelen. De Italiaanse rechter wees dat verzoek af onder verwijzing naar artikel 132 lid 4 van het Italiaanse Wetboek van Intellectueel Eigendom, dat voor bepaalde zogenoemde anticiperende maatregelen een uitzondering maakt op het verval zonder bodemprocedure. Het Hof legde prejudiciële vragen voor aan het Hof van Justitie over de verenigbaarheid van die nationale regeling met artikel 9 lid 5 van de Handhavingsrichtlijn. Het Hof oordeelt dat artikel 9 lid 5 van toepassing is op alle voorlopige maatregelen als bedoeld in artikel 9 leden 1 en 2 van de richtlijn, waaronder voorlopige verbodsbevelen in merkinbreukzaken. De richtlijn maakt geen onderscheid tussen gewone voorlopige maatregelen en anticiperende maatregelen die sterk vooruitlopen op een definitieve beslissing. Het Hof van Justitie verduidelijkt in dit arrest de grenzen van voorlopige IE-maatregelen onder de Handhavingsrichtlijn (richtlijn 2004/48). Volgens het Hof mogen voorlopige maatregelen niet feitelijk definitief worden wanneer de eiser nalaat tijdig een bodemprocedure aanhangig te maken. Artikel 9 lid 5 van de richtlijn verplicht in dat geval tot intrekking, beëindiging of verval van de maatregel indien de verweerder daarom verzoekt.

Dat een maatregel in de praktijk een definitief effect heeft, doet volgens het Hof niet af aan het voorlopige karakter ervan. Het Hof benadrukt dat voorlopige IE-maatregelen ingrijpende gevolgen kunnen hebben terwijl nog niet definitief is vastgesteld dat sprake is van een inbreuk. Artikel 9 lid 5 voorkomt daarom dat zulke maatregelen onbeperkt doorlopen zonder inhoudelijke beoordeling in een bodemprocedure. Een nationale regeling die dat wel mogelijk maakt, verstoort volgens het Hof het evenwicht tussen de belangen van IE-rechthebbenden en de processuele rechten en verdedigingsbelangen van verweerders. Daarbij verwijst het Hof naar artikel 3 van de richtlijn, dat voorschrijft dat handhavingsmaatregelen eerlijk, billijk, evenredig en niet-misbruikgevoelig moeten zijn. Ook het argument van proceseconomie wordt verworpen. Dat een voorlopige maatregel het geschil in de praktijk grotendeels oplost, rechtvaardigt volgens het Hof niet dat een bodemprocedure achterwege blijft. Lidstaten mogen weliswaar aanvullende bescherming bieden aan IE-rechthebbenden, maar mogen niet afdoen aan de in de richtlijn neergelegde waarborgen. De voorwaarden voor het voortbestaan van voorlopige maatregelen zijn volgens het Hof geharmoniseerd in artikel 9 lid 5. Het Hof concludeert daarom dat artikel 9 lid 5 van richtlijn 2004/48 zich verzet tegen een nationale regeling die voorlopige maatregelen laat voortbestaan zonder tijdige procedure ten principale, wanneer de verweerder om intrekking of verval van die maatregelen verzoekt. Daarmee bevestigt het Hof dat voorlopige IE-maatregelen hun tijdelijke karakter moeten behouden en niet zonder inhoudelijke beoordeling een definitief effect mogen krijgen.

48      Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 9, lid 5, van richtlijn 2004/48 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen de toepassing van een nationale bepaling op grond waarvan bepaalde voorlopige maatregelen, zoals voorlopige maatregelen die vooruitlopen op de gevolgen van een beslissing ten principale, kunnen worden gehandhaafd, terwijl de eiser niet binnen de in artikel 9, lid 5, gestelde termijn een procedure heeft ingesteld die tot een dergelijke beslissing leidt en de verweerder verzoekt dat die voorlopige maatregelen worden herroepen of anderszins ophouden gevolg te hebben.