IEF 19873

Hoge Raad verwijst zaak Guy Laroche terug naar het Hof

HR 19 maart 2021, IEF 19873, ECLI:NL:HR:2021:417 (Guy Laroche tegen 4 EW) Guy Laroche is een Frans modehuis dat haar producten bij Carrefour liet verkopen in het kader van een loyaliteitsactie. De klanten van Carrefour konden bij hun aankopen zegels sparen die zij vervolgens mochten inruilen tegen bepaalde merkproducten van Guy Laroche. Hiervoor had Guy Laroche met een partij (TOM) een licentieovereenkomst gesloten. Deze partij heeft vervolgens weer met een ander bedrijf een overeenkomst gesloten over de productie. Een soortgelijke constructie is vervolgens tot stand gekomen toen een Belgische supermarkt dezelfde actie ging organiseren. Na afloop van deze actie is het productiebedrijf de restvoorraad openbaar gaan verkopen. Uiteindelijk is deze restvoorraad beland bij EW 4, die een deel van de producten op haar sites is gaan verkopen. Guy Laroche stelt dat dit een merkbreuk oplevert. Het Hof Den Haag heeft dit verworpen. De Hoge Raad oordeelt dat het Hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden door het verweer van 4 EW aan te vullen en dat het Hof daarnaast, mede gelet op de devolutieve werking van het hoger beroep, Guy Laroche had moeten toelaten tot het leveren van tegenbewijs. Hiermee vernietigt zij het arrest en verwijst zij de zaak terug naar het Hof.

3.2.5. Deze klacht is gegrond. Op 4 EW rust de bewijslast van haar stelling dat de merkrechten van Guy Laroche zijn uitgeput door verkoop van de merkproducten aan Carrefour Frankrijk. Het hof heeft niet geoordeeld dat Guy Laroche deze stelling onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Guy Laroche heeft in eerste aanleg bewijs aangeboden van al haar stellingen, onder meer door het horen van getuigen. Mede gelet op de devolutieve werking van het hoger beroep had het hof Guy Laroche dan ook moeten toelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen de stelling van 4 EW dat de merkrechten van Guy Laroche zijn uitgeput door verkoop aan Carrefour Frankrijk.

3.3.2 De gedingstukken laten geen andere conclusie toe dan dat 4 EW zich uitsluitend erop heeft beroepen dat uitputting van de merkrechten van Guy Laroche heeft plaatsgevonden door verkoop van de merkproducten, en dat 4 EW haar beroep op uitputting niet (mede) erop heeft gebaseerd dat Carrefour over alle merkproducten kon beschikken. Uit de stellingen van Guy Laroche blijkt ook niet dat zij dat laatste in de stellingen van 4 EW heeft gelezen. Het stond het hof ingevolge art. 24 Rv niet vrij het verweer van 4 EW in dit opzicht aan te vullen. Het onderdeel is dan ook gegrond.