Gepubliceerd op woensdag 19 augustus 2026
IEF 23766
Hoge Raad ||
24 jan 1936, 01:00:00
Hoge Raad 24 jan 1936, 01:00:00, IEF 23766; ECLI:NL:HR:1936:2 ([requestrant] tegen [gerequestreerde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/hoge-raad-1936-eigen-onrechtmatig-handelsnaamgebruik-kan-beroep-op-handelsnaamwet-in-de-weg-staan

Hoge Raad 1936: eigen onrechtmatig handelsnaamgebruik kan beroep op Handelsnaamwet in de weg staan

HR 24 januari 1936, IEF 23766; ECLI:NL:HR:1936:2 ([requestrant] tegen [gerequestreerde]). Een handelaar verzocht op grond van artikel 6 Handelsnaamwet om wijziging van de handelsnaam van een concurrent. Beide partijen dreven in dezelfde straat een handel in papierwaren en gebruikten handelsnamen waarin dezelfde persoonsnaam voorkwam. De rechtbank verklaarde verzoeker niet-ontvankelijk, omdat hij zijn eigen handelsnaam eveneens in strijd met de Handelsnaamwet voerde en daarom volgens de rechtbank niet als belanghebbende in de zin van artikel 6 Hnw kon worden aangemerkt. In cassatie voerde verzoeker onder meer aan dat voor de kwalificatie als belanghebbende niet vereist is dat hij zelf zijn handelsnaam rechtmatig voert.

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep. Belanghebbende in de zin van artikel 6 Handelsnaamwet is degene jegens wie het voeren van een handelsnaam in strijd met de Handelsnaamwet een onrechtmatigheid oplevert. Voor zover het verzoek was gebaseerd op overtreding van artikel 4 Hnw, laat de Hoge Raad in het midden of een dergelijke overtreding in het algemeen een onrechtmatige daad tegenover een concurrent oplevert. In deze zaak is daarvan volgens de Hoge Raad in ieder geval geen sprake, omdat verzoeker zelf dezelfde overtreding van artikel 4 beging. Voor een beroep op artikel 5 Hnw geldt bovendien dat de door de ander gevoerde handelsnaam eerder door verzoeker rechtmatig moet zijn gevoerd, hetgeen hier niet het geval was. De Hoge Raad oordeelt daarnaast over artikel 3 Hnw dat moet worden voorkomen dat een handelsnaam bij het publiek ten onrechte de indruk wekt dat een onderneming geheel of gedeeltelijk aan een andere persoon toebehoort. Instemming van de persoon wiens naam wordt gebruikt of van diens erfgenamen neemt die strijd met artikel 3 niet weg. Ook het overlijden van de naamdrager sluit niet uit dat de handelsnaam een dergelijke onjuiste indruk kan wekken. Alle onderdelen van het cassatiemiddel zijn ongegrond, zodat het beroep wordt verworpen.

Nergens stelt de Wet den algemeenen regel, dat degene, die van een recht gebruik wil maken, zelf geen inbreuk op de Wet mag hebben gemaakt.

In de handelsnaamwet is ook geen byzondere bepaling te vinden, waaruit zou blijken, dat slechts hem, die zelf "vrij van zonden" is de actie uit art. 6 dier wet toekomt. Het onderzoek naar de vraag of requestrant den naam Ln. [A] rechtmatig voert, kan nimmer van belang zijn en zeker niet van peremptoir belang voor de beoordeeling van de vraag of hij belanghebbende is in den zin der handelsnaamwet.

Iets anders is of een onderzoek naar de vraag of requestrant bedoelden handelsnaam rechtmatig voert van belang kan zijn voor de beoordeling van de vraag of gerequestreerde den naam Fa. [A] rechtmatig voert. Requestrant kan zeer goed, zelfs al voert hij den naam [A] niet eens, belang hebben bij het verwijderen van den handelsnaam Fa. [A] of het wijzigen daarvan b.v. in "[A]" zonder meer, zooals trouwens requestrant subsidiair ook heeft gevorderd, om de eenvoudige reden, dat requestrant en gerequestreerde concurrenten zijn, die in papierwaren in dezelfde straat handeldrijven en requestrant het zich van zijn concurrent niet wil laten welgevallen, dat deze zich met een naam tooit, die bij het publiek den meer wijdschen indruk vestigt, dat de zaak van gerequestreerde toebehoort aan een vennootschap onder firma of en commandite, Indien men aan wil nemen, dat de Rechtbank aan requestrant het recht wilde ontzeggen als eischer op te treden, omdat de handelsnaam, dien requestrant zou mogen voeren, niet het woord [A] zou mogen bevatten, dan nog zou het systeem der Rechtbank niet opgaan, omdat dan b.v. in dit systeem moeilijk een geval denkbaar ware, dat iemand belanghebbende zou zijn bij het doen wijzigen van een handelsnaam, die in strijd met de waarheid de woorden "[A]" bevat, zoodat wijziging van zoodanigen handelsnaam niet gevorderd zoude kunnen worden. Er bestaat echter geen enkele reden om het systeem van de Rechtbank in dien engeren zin te interpreteeren.

Tenslotte zou de consequentie van het systeem der Rechtbank moeten zijn, dat zelfs al is de grootste verwarring tusschen beide zaken te duchten, geen van beide partijen zich daar iets van aan zou behoeven te trekken, als zij beiden hun handelsnaam onrechtmatig voeren, omdat er dan volgens de Rechtbank geen belanghebbende volgens art. 6 der handelsnaamwet te vinden zoude zijn. Dit gevolg kan door den Wetgever zeker niet gewild zijn.