IEF 19177

HMS is rechthebbende op Beneluxmerk

Rechtbank Amsterdam 29 januari 2020, IEF 19177; ECLI:NL:RBAMS:2020:2123 (Galipoglu Hidromas en HMS) Deze zaak gaat over twee bedrijven die allebei hydraulische pompen produceren en door dezelfde Turkse familie zijn opgericht. Tussen deze bedrijven is een geschil ontstaan over het deponeren en gebruiken van een rechthoekig logo en een rond logo als beeldmerk en over het gebruiken van de naam 'Galipoglu Hidromas'. Ook het handelen in bepaalde landen, het verstrekken van bedrijfsinformatie en het doen van bepaalde uitlatingen staan ter discussie. Partijen hebben tegengestelde standpunten ingenomen over de invloed van de ontwikkelingen in Turkije na de mislukte staatsgreep in 2016 op deze zaak. Volgens HMS staat dit aan de basis van het geschil omdat de Turkse staat de macht heeft gegrepen bij haar dochter Galipoglu Hidromas. Volgens Galipoglu Hidromas is HMS in Nederland een concurrerend bedrijf onder gebruikmaking van dezelfde merken gestart en gaat het hier enkel om een merkenrechtelijke kwestie. In conventie wordt het gevorderde afgewezen, in reconventie wordt voor recht verklaard dat HMS rechthebbende is op het Beneluxmerk 1003756.

5.8.         Er kan in dit geval niet worden vastgesteld dat sprake is van het deponeren van een teken dat identiek is aan of overeenstemt met een door Galipoglu  Hidromas gebruikt merk. Daartoe is het volgende van belang. Hoewel  partijen  inmiddels in een merkregistratiestrijd zijn verwikkeld, staat niet ter discussie dat HMS de eerste is geweest die het rechthoekige teken als beeldmerk heeft gedeponeerd. Dat Galipoglu Hidromas dit teken voorafgaand aan het depot al heeft voorgebruikt ter onderscheiding van waren of diensten heeft HMS gemotiveerd  betwist. Galipoglu Hidromas heeft in reactie op deze betwisting het voorgebruik onvoldoende onderbouwd. Zij heeft hiertoe slechts verwezen naar twee foto's van werknemers die een T-shirt dragen met daarop een logo en naar een foto van een vlaggetje met daarop een logo op een bureau van een verkoopmedewerker. Dit is onvoldoende om normaal voorgebruik te onderbouwen. Daarnaast heeft Galipoglu Hidromas gewezen op facturen. Daarop staat het rechthoekige teken echter niet, zodat ook dit niet aan het bewijs van het voorgebruik kan bijdragen. Andere feiten en omstandigheden die het voorgebruik kunnen ondersteunen heeft Galipoglu Hidromas·niet gesteld.

5.9.          Een depot te kwader trouw kan gelet op het voorgaande niet worden vastgesteld. De op deze grondslag gebaseerde vorderingen zijn niet toewijsbaar en zullen worden afgewezen.

5.23.     Voor wat betreft de merkenrechtelijke vorderingen, ov rweegt de rechtbank het volgende over de bevoegdheid. Hoewel in de conclusie van eis in reconventie ook wordt gesteld dat sprake is van deponeringen te kwader trouw, heeft HMS ter zitting verklaard dat alleen ter discussie staat wie rechthebbende van de merken is. De registratie of de geldigheid  van de merken als zodanig staat dus niet ter discussie. Daarmee vallen de vorderingen, anders dan Galipoglu Hidromas betoogt, niet onder het bereik van artikel 24 onder 4 Brussel I bis-Verordening.
Voor zover de vorderingen zijn gebaseerd op een Uniemerk, is deze rechtbank in beginsel niet bevoegd om kennis te nemen  van die vorderingen, aangezien geschillen over een Uniemerk tot de exclusieve bevoegdheid  van de rechtbank Den Haag behoren. Ook hiervoor geldt echter dat de geldigheid of registratie van een Uniemerk niet ter discussie wordt gesteld en dat de vorderingen evenmin zijn gegrond op de stelling dat inbreuk wordt gemaakt op een Uniemerk. Het geschil ziet immers uitsluitend op de vraag wie als houder van het Uniemerk moet worden aangemerkt. Dat betekent dat de exclusieve bevoegdheidsregel voor de rechtbank Den Haag hier niet opgaat.