Gepubliceerd op maandag 19 januari 2026
IEF 23215
Gerecht EU (voorheen GvEA) ||
14 jan 2026
Gerecht EU (voorheen GvEA) 14 jan 2026, IEF 23215; ECLI:EU:T:2026:10 (Lisa Leone, Giorgio Leone, Leone & Leone OG tegen EUIPO en Incom), https://www.ie-forum.nl/artikelen/het-oudere-recht-op-de-naam-leone-afbakening-tussen-artikel-60-lid-2-onder-a-en-artikel-60-lid-1-onder-c-umvo

Het oudere recht op de naam ‘Leone’: afbakening tussen artikel 60 lid 2 onder a en artikel 60 lid 1 onder c UMVo

Gerecht EU 14 januari 2026, IEF 23215; ECLI:EU:T:2026:10 (Lisa Leone, Giorgio Leone, Leone & Leone OG tegen EUIPO en Incom). Verzoekers (Lisa Leone, Giorgio Leone, Leone & Leone OG) verzochten in 2022 bij de Cancellation Division van het EUIPO om nietigverklaring van het Uniemerk ‘Leone’, ingeschreven voor roomijs en diverse ijsproducten. Volgens de verzoekers hadden zij een bestaand recht volgens Nationaal Oostenrijks recht. De verzoekers stelden dat zij volgens het Oostenrijkse recht eerder rechten hadden op de naam Leone, omdat het hun familienaam is, die zij gebruiken in hun bedrijfsactiviteiten, en omdat de naam Leone op hun ijssalons en producten wordt gebruikt. De vordering tot nietigverklaring werd ingediend op grond van artikel 60, lid 2, onder a) van verordening (EU) 2017/1001, in combinatie met Oostenrijkse wettelijke regelingen, namelijk § 43 van het Allgemeine bürgerliche Gesetzbuch, § 9 van het Gesetz gegen den unlauteren Wettbewerb en § 12 van het Markenschutzgesetz. De Cancellation Division wees op 9 maart 2023 de vordering tot nietigverklaring af, waarna de kamer van beroep bij beslissing van 27 november 2024 die afwijzing bevestigde. De kamer van beroep oordeelde dat de door verzoekers aangevoerde rechten niet onder het in artikel 60, lid 2, onder a), genoemde “recht op de naam” vielen, maar eerder onder artikel 60, lid 1, onder c), dat ziet op niet‑ingeschreven merken en andere tekens die in het economische verkeer worden gebruikt om waren of diensten aan te duiden en de commerciële herkomst te waarborgen. Volgens de kamer van beroep maakten verzoekers met name aanspraak op bescherming tegen misleiding van het relevante publiek omtrent de commerciële herkomst, zodat de naam “Leone” in hun gebruik fungeerde als commercieel identificatiemiddel en niet als naam ter identificatie van een persoon. Verzoekers hebben tegen deze beslissing beroep ingesteld het gerecht van de EU.

Het Gerecht vernietigt de beslissing van de Kamer van Beroep omdat deze berust op een onjuiste rechtsopvatting over de reikwijdte van artikel 60, lid 2, onder a), UMVo. De Kamer van Beroep achtte beslissend dat de aangevoerde rechten betrekking hebben op een teken dat in het economische verkeer wordt gebruikt, en plaatste die rechten daarom onder artikel 60, lid 1, onder c), in plaats van te onderzoeken wat de aard en functie van het ingeroepen oudere recht op de naam is. Volgens het Gerecht sluit het begrip “recht op de naam” niet uit dat daaronder naar nationaal recht ook handelsnamen of maatschappelijke benamingen kunnen vallen, en volgt uit de systematiek van artikel 60 dat dergelijke oudere rechten niet automatisch moeten worden behandeld als de tekens van artikel 60, lid 1, onder c). In het bijzonder benadrukt het Gerecht dat artikel 60, lid 2, spreekt van een “ander ouder recht”, dat onderscheiden is van de niet‑ingeschreven merken en andere in het economische verkeer gebruikte tekens waarop artikel 60, lid 1, onder c), jo. artikel 8, lid 4, betrekking heeft. Door de nationale rechten van verzoekers toch onder die laatste categorie te schuiven, heeft de kamer van beroep blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Bovendien verwijt het Gerecht de kamer van beroep dat zij de door verzoekers overgelegde bewijzen van het daadwerkelijke gebruik van de naam “Leone” niet naar behoren in haar beoordeling heeft betrokken. Het Gerecht komt daarom tot de conclusie dat de bestreden beslissing moet worden vernietigd. Het stelt daarmee niet zelf definitief vast dat aan alle voorwaarden voor nietigverklaring uit hoofde van artikel 60, lid 2, onder a), is voldaan, maar corrigeert de juridische kwalificatie van de aangevoerde Oostenrijkse rechten en de wijze waarop de kamer van beroep het bewijs heeft beoordeeld.

52: “Uit het voorgaande volgt dat de kamer van beroep blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de bescherming krachtens artikel 60, lid 2, onder a), van verordening 2017/1001 zich niet kon uitstrekken tot het „recht op de naam” op de enkele grond dat de aangevoerde namen met name in het economische verkeer werden gebruikt, zonder overeenkomstig de in de punten 17 tot en met 20 hierboven aangehaalde rechtspraak met name de juistheid van de aangevoerde feiten te onderzoeken teneinde concreet de aard vast te stellen van de oudere rechten die als grondslag voor de vordering tot nietigverklaring zijn ingeroepen, noch de inhoud van die rechten en de voorwaarden die voortvloeien uit de nationale wettelijke regeling waarvan om toepassing wordt verzocht, om het gebruik van een Uniemerk te kunnen verbieden.”