Gepubliceerd op woensdag 28 januari 2026
IEF 23246
Gerecht EU (voorheen GvEA) ||
21 jan 2026
Gerecht EU (voorheen GvEA) 21 jan 2026, IEF 23246; ECLI:EU:T:2026:30 (Universal Brand Group Pty Ltd tegen Elon Group AB en EUIPO), https://www.ie-forum.nl/artikelen/het-gerecht-bevestigt-verwarringsgevaar-tussen-elon-en-elton

Het Gerecht bevestigt verwarringsgevaar tussen ELON en ELTON

Gerecht EU 21 januari 2026, IEF 23246; ECLI:EU:T:2026:30 (Universal Brand Group Pty Ltd tegen Elon Group AB en EUIPO). In deze zaak gaat het om een Uniemerkaanvraag van Universal Brand Group Pty Ltd voor een figuratief teken “Elton” voor onder meer waren in de klassen 9 en 11 (elektronica, software en apparatuur voor verwarming en verlichting), waartegen Elon Group AB oppositie heeft ingesteld op basis van haar oudere Zweedse woordmerk “ELON”, ook geregistreerd voor onder meer klasse 9 en 11. Zij betoogt dat er sprake is gevaar voor verwarring bij het publiek op basis van artikel 8 (1)(b) van Verordening 2017/1001. De oppositieafdeling en vervolgens de kamer van beroep gaven Elon Group in essentie gelijk en weigerden de inschrijving van het aangevraagde merk. Universal Brand Group stelde een beroep in bij het Gerecht.

Om de vraag te beantwoorden of de betreffende merken in visuele, fonetische en conceptuele zin op elkaar lijken, beoordeelt het Gerecht de onderscheidende elementen van het aangevraagde merk. Het Gerecht oordeelt dat de lichte stilering van het aangevraagde merk de aandacht van het publiek waarschijnlijk niet zal afleiden van het woordelement “ELTON”, en oordeelt dat de raad van beroep terecht heeft geoordeeld dat die stilering alleen als decoratief beschouwd en dat het woordelement het meest onderscheidende element van het merk is. Volgens het Gerecht zijn de woordelementen visueel vrijwel identiek, het enige verschil is de aanwezigheid van de letter ‘t’ in het midden van het aangevraagde merk. Ook is er sprake van fonetische gelijkenis, omdat de klinkerklank overeenkomt. Bij de beoordeling van de conceptuele overeenkomst maakt het Gerecht duidelijk dat de aanvrager er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat een niet te verwaarlozen deel van het relevante publiek de tekens daadwerkelijk associeert met respectievelijk zakenman Elon Musk en zanger Elton John, en acht het juist aannemelijk dat deze tekens door dat publiek zullen worden opgevat als gewone voornamen of zelfs als fantasiebenamingen. In de globale beoordeling van het verwarringsgevaar komt het Gerecht tot de conclusie dat, zelfs bij een (deels) verhoogd aandachtsniveau aan de zijde van het relevante publiek, de sterke visuele en fonetische overeenstemming tussen “ELON” en “ELTON” maakt dat er verwarring kan ontstaan bij het relevante publiek. Daarmee verwerpt het Gerecht het enige aangevoerde middel van Universal Brand Group, namelijk de gestelde schending van artikel 8, lid 1, onder b, van Verordening 2017/1001, en acht de beslissing van de kamer van beroep terecht.

67. “As regards the applicant’s argument concerning the level of attention of the relevant public, it must be stated that, in paragraph 31 of the contested decision, the Board of Appeal found that that level of attention varied from average to high, and stated that the degree of attention in question varied depending on the price, sophistication or terms and conditions of the goods and services purchased. It did not thereby rule out the possibility that the degree of attention might be high in respect of certain goods. Furthermore, it is apparent from paragraph 87 of that decision that the Board of Appeal took account of that high level of attention of the relevant public when assessing the existence of a likelihood of confusion.”

68. “In that regard, it should be recalled that, according to settled case-law, even an extraordinary level of attention is not, in itself, capable of ruling out the existence of a likelihood of confusion. When a likelihood of confusion is created by other factors, such as the identity or high degree of similarity between the marks and the identity of the goods, the level of attention of the relevant public cannot be the only factor taken into account. A global assessment of the likelihood of confusion must be carried out in each individual case. In the context of a global assessment, the relevant public’s level of attention is only one of the various factors which have to be taken into consideration. Furthermore, even with regard to a public displaying a high level of attention, the fact remains that the average consumer only rarely has a chance to compare the various marks directly, so he or she must rely on his or her imperfect recollection of them (see judgment of 10 April 2024, Mushie & Co v EUIPO – Diana Dolls Fashions (Mushie), T‑262/23, not published, EU:T:2024:227, paragraph 77 and the case-law cited).”