IEF 19217

Help de Hoge Raad met de Handelsnaam!

Op 19 mei 2020 maakte de Hoge Raad bekend dat hij de prejudiciële vragen van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden [IEF 18744] over de bescherming van handelsnamen die (in meer of mindere mate) beschrijvend zijn of onderscheidend vermogen missen toch gaat beantwoorden, hoewel de onderliggende zaak is geschikt. Die beantwoording is namelijk van belang voor de beslissing in toekomstige zaken.

De Hoge Raad biedt de gelegenheid aan een ieder tot het maken van schriftelijke opmerkingen. Die gelegenheid bestaat tot uiterlijk 1 juli 2020. De schriftelijke opmerkingen moeten via een civiele cassatieadvocaat worden ingediend.

IE-Forum neemt het initiatief alle IE-studenten in Nederland en andere geïnteresseerden de gelegenheid te geven hun schriftelijke opmerkingen in te zenden, waarna deze door een selectiecommissie zullen worden beoordeeld, gebundeld, waar nodig geredigeerd of ingekort en bij Hoge Raad worden in gediend door een civiele cassatieadvocaat. Alle serieuze inzenders worden met naam vermeld en de beste student-inzenders ontvangen een nader te bepalen presentje en een eervolle vermelding op IE-Forum.

Hieronder staan de vragen en de belangrijkste rechtspraak en literatuur.

N.B. 1 De selectiecommissie zal niet selecteren op een bepaald standpunt of een eigen standpunt naar voren brengen.
N.B. 2 Bij onvoldoende kwaliteit van de inzendingen zal niets worden ingezonden, omdat de selectiecommissie en de betrokken cassatieadvocaat hun ‘zeeffunctie’ serieus nemen.

Inzenden kan tot maandag 15 juni 2020 naar c.j.s.vrendenbarg@law.leidenuniv.nl.

De selectiecommissie bestaat uit: Rutger de Beer, Gertjan van den Hout, Paul Geerts, Peter Teunisssen, Dirk Visser, Charlotte Vrendenbarg en Tomas Westenbroek.

Vragen

1. Gelden bij de toepassing van artikel 5 Handelsnaamwet nadere, niet in dat artikel genoemde vereisten indien de ingeroepen oudere handelsnaam (in meer of mindere mate) beschrijvend is of onderscheidend vermogen mist, zoals bijvoorbeeld de aanwezigheid van bijkomende omstandigheden (in aanvulling op verwarringsgevaar) in geval van een louter beschrijvende handelsnaam?

2. Luidt het antwoord op de eerste vraag anders indien de ingeroepen oudere (in meer of mindere mate) beschrijvende handelsnaam door gebruik (een zekere mate van) bekendheid heeft verworven?

3. Indien geen nadere vereisten gelden zoals onder (1) bedoeld, hoe dienen dan het (in meer of mindere mate) beschrijvende of niet onderscheidende karakter van de ingeroepen handelsnaam, en het algemene belang dat beschrijvende aanduidingen door een ieder vrij kunnen worden gebruikt, te worden betrokken in de toepassing van artikel 5 Handelsnaamwet?
 

Rechtspraak (met noten)

HR 11 december 2015, NJ 2016/79 m.nt. Verkade, AAe 2017/01 m.nt. Visser, BIE 2016/4 m.nt. Van Nispen, Computerrecht 2016/87 m.nt. Schut (Artiestenverloning).
Rb. Den Haag 15 juni 2016, BIE 2016/31 m.nt. Visser (Parfumswinkel).
Hof Den Haag 19 september 2017, BIE 2017/28, m.nt. Chalmers Hoynck van Papendrecht, (Parfumswinkel).
 

Literatuur (excl. noten)

Becker, ‘HR Artiestenverloningen en de bescherming van beschrijvende handels- en domeinnamen’, IEF 16539.
De Beer, ‘Handelsnaam-/domeinnaamrecht’, BIE 2018, p. 39.
De Beer, ‘Handels- en domeinnaamrecht 2018’, BIE mei/juni 2019, p. 138-140.
Bronneman in ‘Van de brug af gezien’, IER 2016/6, noot 149.
Chalmers Hoynck van Papendrecht, ‘De rol van het onderscheidend vermogen in artikel 5 Hnw’, BIE 2017, p. 150.
Chalmers Hoynck van Papendrecht, ‘Terugblik - Handelsnaam- en domeinnaamrecht ¬2019’, BIE 2020, p. 20.
Van Oerle, Kort Begrip (2018), nr. 503, p. 449.
Vrendenbarg, ‘Van de brug af gezien, VIII. Handelsnaamrecht’, IER 2020/9.

 

Afbeelding: Vanna44 via Pixabay.