IEF 18270

Gezamenlijk advies auteurs en muziekuitgevers aan minister

Tijdens de paneldiscussie over ‘collectief onderhandelen – de stand van zaken’ op Noorderslag maakten auteurs en uitgevers bekend in december een gezamenlijk advies aan de minister van Cultuur te hebben gezonden. Het advies behelst vaststelling van een minimale redelijke vergoeding voor muziekauteurs van tweederde van het muziekauteursrecht, voor alle audio- en audiovisuele exploitatie. Daarnaast kwamen zij een Code of Conduct overeen waarin een aantal afspraken werd gemaakt over redelijke contractvoorwaarden in muziekuitgavecontracten.

Het is het eerste advies dat in het kader van de nieuwe wettelijke mogelijkheid daartoe door de sector wordt ingediend. In 2017 werd het auteurscontractenrecht in Nederland ingevoerd. Artikel 25c lid 3 van de Auteurswet geeft representatieve organisaties van auteurs en exploitanten de mogelijkheid een gezamenlijk advies in te dienen over de hoogte van de billijke vergoeding voor de verlening van exploitatiebevoegdheid ten aanzien van het auteursrecht. De wet, die ten doel heeft auteurs en artiesten te beschermen tegen onredelijke contractbepalingen, geeft de minister de bevoegdheid deze vergoeding op basis van een gedragen gezamenlijk advies vast te stellen. Erwin Angad-Gaur (directeur van de VCTN) vertelde kort over de inhoud van het advies: ‘Onder meer wordt zowel in de toelichting op het verzoek aan de minister als in de Code of Conduct nog een keer expliciet bevestigd dat bijvoorbeeld kickbackcontracten, waarin een opdrachtgever of uitgever een deel van het auteursaandeel verkrijgt, onredelijk zijn. Dit stond al in de Memorie van Toelichting bij de Wet Auteurscontractenrecht, maar zodra de minister dit advies algemeen verbindend verklaart, staat dat definitief en zonder verdere twijfel vast.’ Mark Bremer (voorzitter van uitgeversbrancheorganisatie NMUV) vulde aan: ‘Andersom mag dan dus wel. Dat komt tenslotte ook voor, dat een auteur een stuk van het uitgeversdeel ontvangt, bijvoorbeeld middels een uitgavefonds. De auteur behoort volgens de afspraken minimaal twee derde te krijgen, voor audio- en audiovisuele exploitatie, de uitgever kan maximaal een derde ontvangen, maar dat kan dan dus ook minder zijn. Afhankelijk van onderhandeling.’ De rol van uitgevers is de afgelopen jaren nadrukkelijk veranderd, zo stelde Bremer: ‘Het is niet vanzelfsprekend dat een auteur wel even bij een uitgever tekent. Daar gaan dus vaak serieuze onderhandelingen aan vooraf, soms met meerdere uitgevers die een talentvolle auteur een aanbieding doen.’ De Code of Conduct bevat daarnaast afspraken over transparantie, vertelden beiden. ‘Onder meer de verplichting inzicht te geven in subuitgavedeals in het buitenland,’ aldus Angad-Gaur. ‘Bedoeling is om misbruik achter de rug van de auteur tegen te gaan. Het is voor een auteur vaak moeilijk te controleren wat er buiten de landsgrenzen gebeurt en of een subuitgever een postbusfirma is die louter een extra stuk auteursrecht afroomt, of ook werkelijk iets doet. Om kort te gaan: we willen dat de ‘Van Kooten-truc’ definitief tot het verleden behoort.’ Bremer reageerde dat hij liever geen namen van specifieke uitgevers noemt, maar gaf toe dat vooral in het verleden ‘onwenselijke praktijken gangbaarder waren dan nu’. Ook hij ziet dit als een stap naar redelijke contracten, hoewel hij benadrukte dat veruit de meeste uitgevers ook nu met redelijke contractvoorwaarden werken. Uit de zaal kwam de vraag of ook het meetekenen door een opdrachtgever als auteur is meegenomen in de afspraken. Dat wil zeggen: een opdrachtgever, die niet heeft meegeschreven of gecomponeerd, maar zich wel als mede-auteur laat aanmelden. Dat komt nog altijd voor, stelde de spreker. Angad-Gaur bevestigde dat ook deze praktijk in de toelichting op het verzoek aan de minister genoemd wordt. Wel benadrukte hij dat auteurs ook daadwerkelijk voor hun recht moeten durven opkomen. ‘Ook nu al is duidelijk dat dit soort praktijken niet zijn toegestaan. De rechtszekerheid wordt nog verder versterkt als de minister dit advies overneemt, waardoor er geen financieel risico meer aan een procedure bij de rechter kleeft, maar eigenlijk is dat risico nu al nihil. De kans tot de kosten van de tegenpartij te worden veroordeeld is eigenlijk nul. De angst bij auteurs is vooral dat zij als ‘moeilijk’ te boek komen te staan en geen opdrachten meer zullen krijgen. Vooral daardoor is elk stapje dat wij weten te zetten om de contractpraktijk op te schonen waardevol. Hoe ongewoner dit soort misbruik wordt, hoe makkelijker auteurs er ook tegen zullen durven optreden.’

De onderhandelingen tussen uitgevers- en auteursorganisaties kwamen er niet zomaar, vertelde Angad-Gaur desgevraagd: ‘Eerdere verzoeken die wij als gezamenlijke auteursorganisaties aan het NMUV en de VMN (de twee brancheorganisaties voor muziekuitgevers in Nederland) deden om te onderhandelen, werden vrij hautain afgewezen. Daar kan Mark niets aan doen, hij was geen voorzitter van het NMUV toen dat speelde, maar het was wel zo. Pas toen auteurs door een uitspraak van het Europese Hof van Justitie – het zogenaamde ‘Reprobel-arrest’ – in een heel gunstige positie leken te komen en er langdurige rechtszaken rond Thuiskopie- en Leenrechtvergoedingen dreigden, waren de uitgevers bereid in gesprek te gaan.’ Dat partijen gemakkelijk kunnen tegenstribbelen, is een van de kritiekpunten van makers-organisaties op de nieuwe wet. ‘We hebben steeds tegen de wetgever gezegd: leuk dat we collectief mogen onderhandelen over minimale redelijke tarieven, maar zolang de sterkste marktpartij geen belang heeft om aan die onderhandelingen mee te doen, komt er nooit een advies. Dat is ook de reden dat wij de enige zijn die daar tot nog toe in geslaagd zijn. De omstandigheden dwongen de uitgevers feitelijk aan tafel te komen.’ ‘Daarnaast blijft jammer dat alleen de redelijke vergoeding zelf door de minister kan worden vastgesteld. Het zou extra gewicht aan de overige afspraken geven als ook die kracht van wet zouden hebben, ook al zullen de afspraken in de Code of Conduct ook voor een rechter zeer zwaar gewogen worden.’ Het advies en de Code of Conduct zijn nog niet openbaar gemaakt. Wel is ervoor gezorgd dat vooral auteurs alle afspraken zullen kennen. ‘Als en wanneer de minister het advies overneemt, zal via Buma/Stemra aan alle auteurs in Nederland meermaals bericht worden gestuurd en natuurlijk zullen alle organisaties ook zelf hun leden actief informeren.’ Waarom via Buma/Stemra? ‘Onderdeel van de afspraken is dat uitgevers niet automatisch meedelen in verplicht collectief beheerde rechtenvergoedingen, in vergoedingen voor thuiskopiëren en voor uitleningen van cd’s en dvd’s. In nieuwe contracten moet vanaf dat moment expliciet worden opgenomen dat de uitgever meedeelt. Zo niet, dan deelt hij in die geldstromen niet mee. Voor ‘oude contracten’ geldt dat alle auteurs in Nederland de mogelijkheid krijgen hun uitgever niet te laten meedelen, middels een ‘opt out’-knop op de Buma/Stemra-website. Alle nog niet verdeelde gelden van de afgelopen jaren worden in dat geval alleen aan de auteur betaald. Hoe dat allemaal precies gaat werken zullen we gezamenlijk duidelijk en helder aan alle leden en aangeslotenen van Buma/Stemra gaan uitleggen, zodra dat werkelijk van start kan gaan.’ Dat zal niet eerder zijn dan in mei van dit jaar bleek tijdens het panel. Een vertegenwoordiger van het ministerie in de zaal bevestigde de ontvangst van het advies aan de minister. ‘We zijn uiteraard blij met dit eerste advies. Volgens de regels van de wet wordt het onderhandelingsresultaat nu voorgelegd aan de Raad voor Cultuur, die ook het bredere maatschappelijke belang moet wegen en dan advies uitbrengt aan de minister, daar staan een paar maanden voor. Daarna, bij ook een positief advies van de Raad voor Cultuur, kan de minister de afgesproken tarieven vaststellen.’ (wordt vervolgd)

Dit artikel is afkomstig uit Muziekwereld 2-2019.