Gepubliceerd op dinsdag 22 september 2026
IEF 23851
Hof Amsterdam ||
2 sep 2026,
Hof Amsterdam 2 sep 2026,, IEF 23851; ECLI:NL:GHAMS:2026:2507 (Openbaar Ministerie tegen [verdachte]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/gevangenisstraf-voor-opzettelijk-in-voorraad-hebben-van-valse-merken

Gevangenisstraf voor opzettelijk in voorraad hebben van valse merken

Hof Amsterdam 2 september 2026, IEF 23851; ECLI:NL:GHAMS:2026:2507 (Openbaar Ministerie tegen [verdachte]). Op 16 oktober 2021 is in Amsterdam onder de verdachte een grote partij kleding, tassen, schoenen en een zonnebril in beslag genomen. Het hof acht bewezen dat de verdachte deze goederen, valselijk voorzien van onder meer de beschermde woord- en/of beeldmerken Adidas, Balenciaga, Burberry, Christian Dior, Dolce & Gabbana, Givenchy, Gucci, Louis Vuitton, Moncler, Prada en Stone Island, opzettelijk in voorraad heeft gehad. De verdediging heeft vrijspraak bepleit vanwege onzorgvuldigheden en discrepanties in het dossier, onder meer tussen de aantallen goederen in het proces-verbaal van bevindingen en de kennisgevingen van inbeslagname en vanwege een aanvankelijk onjuist proces-verbaalnummer bij de aangifte. Het hof verwerpt dit verweer. De processen-verbaal stemmen op de relevante onderdelen, waaronder de merken en soorten kleding, in overwegende mate overeen en de verschillen in aantallen zijn volgens het hof van ondergeschikt belang en aan te merken als kennelijke telfouten. Ook staat naar het oordeel van het hof buiten redelijke twijfel vast dat de aan de controleur getoonde monsters afkomstig waren uit de partij die onder de verdachte was inbeslaggenomen. Het voorwaardelijke verzoek om twee verbalisanten als getuigen te horen wordt afgewezen, omdat hun verhoor volgens het hof onmiskenbaar irrelevant of overbodig is. De relevante feiten waren reeds buiten redelijke twijfel komen vast te staan en op verzoek van de verdediging waren bovendien drie aanvullende processen-verbaal opgesteld waarin de gesignaleerde discrepanties voldoende waren toegelicht. Het gebruik van de bevindingen van de verbalisanten is daarom volgens het hof verenigbaar met art. 6 EVRM en de vereiste ‘overall fairness of the trial’.

Het hof kwalificeert het bewezenverklaarde als opzettelijk valse, vervalste of wederrechtelijk vervaardigde merken in voorraad hebben en veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van drie maanden. Het vonnis van de politierechter wordt vernietigd omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring komt. Bij de strafoplegging neemt het hof in aanmerking dat de verdachte een grote hoeveelheid valse merken in voorraad had, daardoor inbreuk heeft gemaakt op een groot aantal merkenrechten en heeft bijgedragen aan de grootschalige namaak van door merkenrechten beschermde goederen. Ook weegt mee dat hij eerder onherroepelijk voor een soortgelijk feit is veroordeeld, het nieuwe feit tijdens een proeftijd heeft gepleegd en het taakstrafverbod van toepassing is. Het hof acht daarom een sanctie met onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming noodzakelijk. De in beslag genomen goederen waarop het bewezenverklaarde betrekking heeft worden aan het verkeer onttrokken, omdat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang. Van de overige in beslag genomen goederen is niet vastgesteld dat het valse of vervalste producten betreft; omdat de verdachte heeft verklaard dat deze goederen niet aan hem toebehoren, gelast het hof daarvan de bewaring ten behoeve van de rechthebbende. Daarnaast gelast het hof de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 117 dagen, omdat de verdachte vóór het einde van de proeftijd opnieuw een strafbaar feit heeft gepleegd. De beslissingen zijn onder meer gegrond op art. 36b, 36c, 63 en 337 Sr.

Het in artikel 6 EVRM verankerde ondervragingsrecht noch het arrest van het EHRM inzake Keskin vs. Nederland (EHRM (Grote Kamer) 19 januari 2021, nr. 2205/16) verzet zich ertegen dat de rechter een verzoek tot het horen van getuigen afwijst als dat horen onmiskenbaar irrelevant of overbodig (“manifestly irrelevant or redundant”) is, omdat het (opnieuw) horen van de getuige voor de bewijsvoering van geen enkel belang zal zijn of geen toegevoegde waarde zal hebben. Dat kan zich bijvoorbeeld voordoen indien de al door de getuige afgelegde verklaring betrekking heeft op feiten en omstandigheden die door de verdachte niet worden betwist of als die feiten en omstandigheden door andere resultaten van het strafrechtelijk onderzoek al buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan (vgl. HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576).

Gelet op het hiervoor overwogene is het hof van oordeel dat het horen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] met betrekking tot de verschillende aantallen onmiskenbaar irrelevant is, nu de verschillen in aantallen van ondergeschikt belang zijn en niet de betrouwbaarheid van het onderzoek en de bevindingen daarin raken. Dat de aan de aangever getoonde goederen afkomstig zijn van de onder de verdachte inbeslaggenomen goederen is naar het oordeel van het hof al buiten redelijke twijfel komen vast te staan door de aangifte en het aanvullende proces-verbaal van bevindingen van 19 mei 2026, in samenhang bezien met de overige bewijsmiddelen.

Dat laat onverlet dat het hof zich ervan dient te vergewissen dat de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces en de daaraan verbonden notie van ‘overall fairness of the trial’ (vgl. HR 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1418 en HR 17 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1461). Hierbij zijn – met het oog op de beoordeling of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces – van belang (i) de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend met betrekking tot een getuige van wie de verklaring voor het bewijs wordt gebruikt, (ii) het gewicht van de verklaring van de getuige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit, en (iii) het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid.