Gepubliceerd op vrijdag 1 mei 2026
IEF 23524
Gerecht EU (voorheen GvEA) ||
29 apr 2026
Gerecht EU (voorheen GvEA) 29 apr 2026, IEF 23524; ECLI:EU:T:2026:301 (Doors Bulgaria EOOD tegen EUIPO, Top Ten EOOD), https://www.ie-forum.nl/artikelen/gerecht-eu-promotiebrochure-kan-bewijs-leveren-van-openbaarmaking-ouder-model

Gerecht EU: promotiebrochure kan bewijs leveren van openbaarmaking ouder model

Gerecht EU 29 april 2026, IEF 23524; IEFbe 4214; ECLI:EU:T:2026:301 (Doors Bulgaria EOOD tegen EUIPO, Top Ten EOOD). In zaak T-579/25 bevestigt het Gerecht de beslissing van de Derde Kamer van Beroep van het EUIPO in een nietigheidsprocedure over een ingeschreven Uniemodel voor deuren van Doors Bulgaria. Het betwiste model was aangevraagd in 2013 en ingeschreven voor waren in klasse 25.02 van de Locarno-classificatie. Top Ten had in 2023 om nietigverklaring verzocht op grond van artikel 25 lid 1 onder b van Verordening (EG) nr. 6/2002, gelezen in samenhang met de vereisten van nieuwheid en eigen karakter uit de artikelen 4, 5 en 6 van die verordening. Ter onderbouwing beriep Top Ten zich onder meer op een promotiebrochure uit 2010 waarin een vergelijkbaar deurontwerp was afgebeeld. De nietigheidsafdeling verklaarde het model nietig wegens gebrek aan eigen karakter. De Kamer van Beroep bevestigde die beslissing en oordeelde dat de brochure voldoende bewijs vormde dat het oudere model vóór de relevante datum aan het publiek beschikbaar was gesteld in de zin van artikel 7 lid 1 van de verordening. Ten overvloede oordeelde zij dat de betrokken modellen bij de geïnformeerde gebruiker dezelfde algemene indruk wekten.

Het Gerecht verwerpt het beroep van Doors Bulgaria. Volgens het Gerecht schrijft de modellenverordening niet voor in welke vorm bewijs van openbaarmaking moet worden geleverd. De verzoeker tot nietigverklaring mag dus zelf bepalen welk bewijs wordt overgelegd, terwijl EUIPO dat bewijs vrij moet beoordelen, mits het voldoende concreet, objectief en betrouwbaar is. Een promotiebrochure kan daarbij op zichzelf volstaan als bewijs van openbaarmaking, zeker wanneer deze productafbeeldingen, prijsinformatie, contactgegevens en een geldigheidsperiode bevat die vóór de depotdatum ligt. Het betoog van Doors Bulgaria dat de brochure eenvoudig gemanipuleerd zou kunnen zijn, wordt verworpen. De enkele abstracte mogelijkheid van manipulatie is onvoldoende om de bewijswaarde aan te tasten; daarvoor zijn concrete aanwijzingen nodig, zoals duidelijke vervalsingssporen of inconsistenties. Dergelijke aanwijzingen ontbraken. Ook hoefde geen aanvullend bewijs te worden geleverd over de commerciële activiteiten van de aanbieder van de brochure. Verder benadrukt het Gerecht dat het niet noodzakelijk is dat de exacte datum van openbaarmaking wordt vastgesteld, zolang met redelijke zekerheid kan worden aangenomen dat deze vóór de depotdatum heeft plaatsgevonden. Nadat openbaarmaking is aangetoond, is het aan de houder van het betwiste model om aannemelijk te maken dat deze openbaarmaking redelijkerwijs niet bekend kon zijn bij de relevante vakkringen. Ook dat heeft Doors Bulgaria niet gedaan. Het beroep wordt volledig verworpen. Doors Bulgaria draagt haar eigen kosten en die van Top Ten, terwijl EUIPO zijn eigen kosten draagt.

In zaak T‑578/25 oordeelde het Gerecht hetzelfde. 

31      The Board of Appeal inferred from this that, thanks to its structured and cohesive format, the brochure constituted a complete, informative and professionally designed promotional tool. According to the Board of Appeal, the information contained therein, namely the presence of contact details, of products offered, of pricing and offer dates, combined with the ‘perishable’ nature of such information and the fact that brochures are issued for a short duration and are distributed promptly, demonstrates that the document displays the characteristics of a typical commercial marketing brochure which must have been distributed before or during the stated promotional period. Additionally, since the brochure was issued by a third party, the fact that the intervener had it in its possession was sufficient proof that it was made available to the public. In that context, according to the Board of Appeal, there was no need to show further that Vesta Logistics was engaged in door sales or that that company existed at the relevant time. What was determinative for the purposes of disclosure is the source of the disclosure, namely the brochure, the clear representation of the earlier design and a disclosure date which precedes the filing date of the contested design.

32      In that regard, it should be noted that the brochure produced by the intervener attests to the disclosure of the earlier design in 2010, that is to say, before the application for the contested design was filed in 2013. That brochure contains, in addition to the image of the earlier design, the dates of validity of the promotional offer which precedes the filing of the application for the contested design and the name of the company behind that offer, which is a third party to the intervener. In addition, it must be noted, as observed by EUIPO, that the fact that the intervener was in possession of a brochure originating from a third party is such as to prove that it was made public (see, to that effect, judgment of 3 July 2024, CanalonesCastilla v EUIPO – Canalones Novokanal (Water-collection guttering or waterspout), T‑329/22, not published, EU:T:2024:438, paragraph 29).