Gepubliceerd op vrijdag 20 maart 2026
IEF 23359
Gerecht EU (voorheen GvEA) ||
25 feb 2026
Gerecht EU (voorheen GvEA) 25 feb 2026, IEF 23359; ECLI:EU:T:2026:152 (Papstar GmbH tegen EUIPO), https://www.ie-forum.nl/artikelen/gerecht-bevestigt-weigering-van-figuratief-merk-met-gebogen-driehoek-wegens-gebrek-aan-onderscheidend-vermogen

Gerecht bevestigt weigering van figuratief merk met gebogen driehoek wegens gebrek aan onderscheidend vermogen

Gerecht EU 25 februari 2026, IEF 23359; IEFbe 4136; ECLI:EU:T:2026:152 (Papstar GmbH tegen EUIPO). In dit arrest staat de aanvraag centraal voor een figuratief Uniemerk bestaande uit een zwarte driehoek met één licht bolle zijde, voor uiteenlopende producten in de klassen 4, 8, 16, 21, 25 en 28, waaronder kaarsen, bestek, verpakkingsmateriaal, servetten, rietjes, wegwerpservies, hygiënekleding en feestartikelen. De examinator had de aanvraag geweigerd op grond van artikel 7, lid 1, onder b, UMVo wegens gebrek aan onderscheidend vermogen, en de Vijfde Kamer van Beroep had die weigering bevestigd. Het Gerecht laat die beslissing in stand. Het stelt voorop dat voor inschrijving weliswaar slechts een minimum aan onderscheidend vermogen vereist is, maar dat een teken dat uit een zeer eenvoudige vorm bestaat of daar dicht tegenaan ligt, alleen dan als merk kan functioneren wanneer het door het relevante publiek gemakkelijk en onmiddellijk als aanduiding van commerciële herkomst kan worden onthouden. In dit geval erkent het Gerecht dat het aangevraagde teken niet volledig samenvalt met een zuivere geometrische basisvorm, omdat één zijde van de driehoek zichtbaar gebogen is. Die afwijking is echter volgens het Gerecht te subtiel om het teken onderscheidend te maken. Zij vertoont geen bijzondere stilering, geen fantasie-element en geen visuele bijzonderheid die het teken voor het relevante publiek onmiddellijk memoriseerbaar maakt als merk. Daarom zal het publiek het teken niet als herkomstaanduiding opvatten, maar als een eenvoudig vormelement.

Het Gerecht verwerpt ook de overige argumenten van Papstar. Dat het teken volgens de aanvrager verschillende associaties kan oproepen, zoals een golf, een vleugel, een servet of een verwijzing naar yin en yang, is niet voldoende, omdat een merk meteen als herkomstaanduiding moet kunnen functioneren en niet pas na nadere beschouwing of interpretatie. Evenmin helpt het dat het teken volgens Papstar door een bekende ontwerper is ontworpen of al lange tijd in het handelsverkeer wordt gebruikt, omdat zulke omstandigheden op zichzelf niet relevant zijn voor de beoordeling van het intrinsieke onderscheidend vermogen onder artikel 7, lid 1, onder b, UMVo; bovendien had Papstar geen beroep gedaan op verkregen onderscheidend vermogen door gebruik in de zin van artikel 7, lid 3, UMVo. Ook het argument dat het teken niet beschrijvend is, faalt, omdat het ontbreken van beschrijvendheid niet automatisch betekent dat een teken onderscheidend is. Verder volgt het Gerecht de Kamer van Beroep in haar oordeel dat een gestelde markttrend van eenvoudige, gestileerde beeldmerken hier niet beslissend is, en dat eerdere beslissingen van het EUIPO het Bureau niet binden, omdat iedere aanvraag op basis van de UMVo en de concrete omstandigheden van het geval moet worden beoordeeld. Anders dan in een door Papstar aangehaald arrest over gebogen vormen, ontbreekt hier bovendien een vergelijkbaar niveau van stilering of visuele uitwerking. Het Gerecht concludeert daarom dat het relevante publiek, bestaande uit zowel het grote publiek als een gespecialiseerd publiek binnen de Unie, het aangevraagde teken eerder zal zien als een decoratief element of etiketvorm op verpakkingen dan als aanduiding van oorsprong. Het beroep wordt afgewezen. Omdat in deze zaak een zitting heeft plaatsgevonden en het EUIPO om een kostenveroordeling had verzocht, wordt Papstar veroordeeld in de proceskosten.

41       Ten eerste, met betrekking tot de omstandigheid dat het teken waarvoor registratie wordt aangevraagd, is ontworpen door een beroemde Duitse grafisch ontwerper, dient te worden opgemerkt, zoals de Raad van Beroep heeft gesteld, dat het enkele feit dat een merk het product is van een intellectuele of artistieke creatie, op zichzelf geen onderscheidend vermogen aan dat merk kan verlenen in de zin van artikel 7(1)(b) van Verordening 2017/1001. De erkenning van het onderscheidend vermogen, zelfs van een minimaal onderscheidend vermogen, van een merk is immers niet afhankelijk van het aantonen van een bepaald niveau van creativiteit of artistieke verbeeldingskracht van de aanvrager, in de zin van de in punt 18 hierboven aangehaalde jurisprudentie. Bovendien is de bestreden beslissing niet gebaseerd op onvoldoende creativiteit of innovatie van het aangevraagde merk, maar op het ontbreken van enig element dat het merk onderscheidt van de gebruikelijke afbeeldingen van de betreffende producten, waardoor het niet in staat is zijn essentiële functie, namelijk het identificeren van de commerciële oorsprong van die producten, te vervullen [zie in dit verband het arrest van 19 maart 2025, Mercedes-Benz Group tegen EUIPO (Afbeelding van een rijzende auto), T-400/24, niet gepubliceerd, EU:T:2025:317, punt 29]. Bijgevolg zijn de door de aanvrager in de aanvraag en de bijlagen bijgevoegde schermafbeeldingen, bedoeld om de artistieke waarde van het betreffende teken aan te tonen, irrelevant.

42       Ten tweede moet worden opgemerkt dat de door de aanvrager aangevoerde omstandigheid, namelijk dat het aangevraagde merk gedurende bijna 40 jaar consistent op nationaal en internationaal niveau is gebruikt als onderscheidend teken van de aanvrager en zijn producten, geen relevante factor is in het kader van de toepassing van artikel 7, lid 1, onder b), van Verordening 2017/1001 [zie in die zin het arrest van 29 september 2021, Enosi Mastichoparagogon Chiou tegen EUIPO (MASTIHACARE), T-60/20, niet gepubliceerd, EU:T:2021:629, punten 43 en 44 en de daarin aangehaalde jurisprudentie].

43       Het is immers alleen in het kader van de toepassing van artikel 7, lid 3, van Verordening 2017/1001 dat het daadwerkelijke gebruik van een teken waarvoor registratie wordt aangevraagd, moet worden beoordeeld. In dit geval heeft de aanvrager echter geen inbreuk op die bepaling aangevoerd, noch bij de Kamer van Beroep, noch bij het Gerecht. Evenmin heeft hij betoogd dat het aangevraagde merk na gebruik onderscheidend vermogen heeft verworven in de zin van die bepaling.

44       Ten derde heeft de Kamer van Beroep, in tegenstelling tot de beweringen van de aanvrager, geen strengere norm gehanteerd bij de beoordeling van het onderscheidend vermogen van het aangevraagde merk, aangezien het een figuratief merk betreft. Zoals in de paragrafen 28 en 34 hierboven is opgemerkt, heeft de Kamer terecht geoordeeld dat dit merk, bestaande uit een enkel figuratief element, de weergave is van een licht gewijzigde geometrische figuur en derhalve niet in staat is een boodschap over te brengen aan het relevante publiek, met als gevolg dat het merk niet het minimale onderscheidend vermogen bezit dat vereist is om als handelsmerk te functioneren. Het moet dus worden opgemerkt dat deze kamer, na toepassing van het vereiste criterium, terecht heeft vastgesteld dat het aangevraagde merk in dit geval niet het minimale onderscheidend vermogen bezit dat nodig is om de functie van een merk te vervullen en dat noodzakelijk is voor de registratie ervan (zie, naar analogie, arrest van 6 juni 2019, Weergave van een achthoekige veelhoek, T-449/18, niet gepubliceerd, EU:T:2019:386, paragraaf 33).

45       Ten vierde moet het argument van de aanvrager worden onderzocht dat het aangevraagde merk gemakkelijk zal worden herkend als een aanduiding van de commerciële oorsprong van de betreffende goederen, aangezien het merk niet ‘beschrijvend’ is. In dit verband moet worden opgemerkt, zoals de Kamer van Beroep terecht deed in punt 29 van de bestreden beslissing, dat artikel 7(1)(b) en artikel 7(1)(c) van Verordening 2017/1001 verschillende en onafhankelijke weigeringsgronden bevatten, zodat het argument van de aanvrager dat in wezen betrekking heeft op de grond onder artikel 7(1)(c) van die Verordening niet effectief is (zie arrest Henkel tegen OHIM, C-456/01 P en C-457/01 P, EU:C:2004:258, punt 45 en de daarin aangehaalde jurisprudentie).

46       Bovendien is volgens de jurisprudentie een teken dat de kenmerken van de goederen die het omvat beschrijft, niet langer onderscheidend vermogen ten opzichte van die goederen. Omgekeerd is het enkele feit dat een teken de kenmerken van die goederen niet beschrijft, op zich niet voldoende om het onderscheidend vermogen ten opzichte van die goederen te verlenen. Het teken moet het immers mogelijk maken die goederen te identificeren als afkomstig van een specifieke onderneming en ze aldus te onderscheiden van die van andere ondernemingen (zie in dit verband het arrest van 6 juni 2019, Représentation d'un polygone octogonal, T-449/18, niet gepubliceerd, EU:T:2019:386, punt 32 en de daarin aangehaalde jurisprudentie).

47       Ten vijfde betoogt de verzoeker in wezen dat er een trend bestaat naar het gebruik van figuratieve merken in een gereduceerde, maar niettemin gestileerde vorm, met name in de papiersector, waardoor consumenten eraan gewend raken om met deze merken in aanraking te komen en ze als herkomstaanduiding te beschouwen. Bovendien zou de Raad van Beroep zijn eerdere beslissingen tot registratie van dergelijke merken, alsmede een arrest van het Gerecht, hebben genegeerd.