Gepubliceerd op donderdag 16 juli 2026
IEF 23692
Gerecht EU (voorheen GvEA) ||
15 jul 2026,
Gerecht EU (voorheen GvEA) 15 jul 2026,, IEF 23692; ECLI:EU:T:2026:472 (OpenAI tegen EUIPO), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/gerecht-bevestigt-gedeeltelijke-weigering-van-het-teken-openai-wegens-beschrijvend-karakter

Gerecht bevestigt gedeeltelijke weigering van het teken OPENAI wegens beschrijvend karakter

Gerecht EU 15 juli 2026, IEF 23692; IEFbe 4261; ECLI:EU:T:2026:472 (OpenAI tegen EUIPO). Het Gerecht verwerpt het beroep van OpenAI, Inc. tegen de beslissing van de vijfde kamer van beroep van het EUIPO om het woordteken OPENAI niet in te schrijven voor bepaalde waren en diensten in de klassen 9, 42 en 45. Het relevante publiek bestaat uit het Engelstalige algemene en professionele publiek in de Europese Unie, met een aandachtsniveau dat varieert van gemiddeld tot hoog. Volgens het Gerecht zal dit publiek het teken gemakkelijk herkennen als een combinatie van ‘open’ en ‘AI’, waarbij ‘AI’ algemeen wordt begrepen als de afkorting van artificial intelligence en ‘open’ in de technologische context onder meer kan verwijzen naar toegankelijke, onbeperkte, transparante of vrij beschikbare kunstmatige intelligentie. Voor toepassing van artikel 7 lid 1 onder c UMVo is voldoende dat ten minste één mogelijke betekenis van een teken een kenmerk van de betrokken waren of diensten beschrijft. De combinatie OPENAI volgt bovendien de gewone Engelse grammaticale structuur en creëert geen indruk die voldoende afwijkt van de som van haar bestanddelen. Dat de woorden zonder spatie zijn samengevoegd en dat de combinatie niet als vaste uitdrukking in een woordenboek voorkomt, neemt het beschrijvende karakter daarom niet weg.

Het Gerecht oordeelt verder dat een voldoende rechtstreeks en concreet verband bestaat tussen het teken en de betrokken software, technologische diensten en verificatiediensten. Deze waren en diensten kunnen worden gebaseerd op, worden aangedreven door of worden aangeboden met behulp van toegankelijke of onbeperkte kunstmatige intelligentie. Zij hebben daarmee, ondanks hun indeling in verschillende Nice-klassen, een gemeenschappelijk kenmerk en vormen voor deze beoordeling een voldoende homogene groep, zodat het EUIPO een gezamenlijke motivering mocht gebruiken. Dat OpenAI als onderneming bekend is en het publiek het teken mogelijk met die onderneming associeert, is bij de beoordeling van het intrinsiek beschrijvende karakter niet relevant. Die bekendheid kan uitsluitend aan de orde komen bij het nog door het EUIPO te beoordelen subsidiaire beroep op verkregen onderscheidend vermogen door gebruik als bedoeld in artikel 7 lid 3 UMVo. Omdat artikel 7 lid 1 onder c de weigering zelfstandig rechtvaardigt, onderzoekt het Gerecht niet meer of het teken tevens ieder onderscheidend vermogen mist in de zin van artikel 7 lid 1 onder b. Ook het beroep op eerdere EUIPO-registraties en registraties in derde landen faalt, omdat het Uniemerkenstelsel autonoom is, eerdere beslissingen niet bindend zijn en het gelijkheidsbeginsel geen recht geeft op herhaling van een mogelijk onjuiste registratie. Het beroep wordt volledig verworpen en OpenAI wordt veroordeeld in de proceskosten.

37      In the present case, having regard to the fact that the terms ‘open’ and ‘AI’ are easily and immediately recognisable, that the expression ‘open AI’ complies with the grammatical rules of English – the adjective preceding the noun – and that that expression does not contain any unusual element in its syntax, it must be held that that expression does not create, on the part of the relevant public, an impression which is sufficiently far removed from that produced by the mere juxtaposition of its constituent elements so that the expression in question is more than a sum of its parts. That public may understand the term ‘OPENAI’ as meaning either accessible or unrestricted artificial intelligence, based on open source principles, or even one that is transparent or explainable.

55      Therefore, the Board of Appeal was right to find that the term ‘OPENAI’, understood by the relevant public as meaning ‘accessible or non-restricted artificial intelligence’, is descriptive of the nature, function or purpose of artificial intelligence based software in Class 9 and of artificial intelligence based services in Classes 42 and 45. That term indicates directly that those goods and services may be related to or may be provided with the aid of a certain type of artificial intelligence software, either because they embed or are offered by means of freely accessible artificial intelligence.

60      Third, the applicant’s argument that the sign applied for enjoys recognition and reputation among consumers in the Member States must be rejected. By that argument, the applicant relies, in essence, on the actual use of the mark applied for. According to the case-law, such arguments are not relevant in the context of the application of Article 7(1)(c) of Regulation 2017/1001, a provision which concerns only the intrinsic characteristics of a sign in respect of which registration is sought. It is only in the context of the application of Article 7(3) of Regulation 2017/1001 that the actual use of a sign in respect of which registration is sought must be assessed (see, to that effect, judgment of 25 January 2023, Scania CV v EUIPO (V8), T‑320/22, not published, EU:T:2023:21, paragraph 43 and the case-law cited).