Gepubliceerd op maandag 13 juli 2026
IEF 23677
Antilliaanse Gerechten ||
30 jun 2026,
Antilliaanse Gerechten 30 jun 2026,, IEF 23677; ECLI:NL:OGHACMB:2026:179 (Ducapro tegen QW), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/gemeenschappelijk-hof-afwijzing-voorlopige-auteursrechtelijke-voorzieningen-na-toepassing-van-de-afstemmingsregel

Gemeenschappelijk Hof: afwijzing voorlopige auteursrechtelijke voorzieningen na toepassing van de afstemmingsregel

Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 30 juni 2026, IEF 23677; ECLI:NL:OGHACMB:2026:179 (Ducapro tegen QW). Ducapro vorderde in kort geding primair een verbod voor Q-Waves om via haar Arubaanse radiostation muziek uit te zenden van auteurs en rechthebbenden die Ducapro vertegenwoordigt, en subsidiair betaling van een voorlopige vergoeding totdat in een bodemprocedure een definitieve vergoeding zou zijn vastgesteld. Nadat het Gerecht deze vorderingen had afgewezen, werd tijdens het hoger beroep vonnis gewezen in de bodemprocedure over dezelfde geschilpunten. In dat bodemvonnis waren de vorderingen van Ducapro eveneens afgewezen. De bodemrechter overwoog dat Ducapro haar bevoegdheid baseerde op een mandaatovereenkomst met BUMA/STEMRA, maar dat het wettelijke kader op grond waarvan BUMA/STEMRA voor auteurs en rechthebbenden kan optreden niet in Aruba geldt. Daarnaast ontbreekt volgens de bodemrechter in Aruba een voldoende wettelijke en toezichthoudende structuur voor de berekening, inning en verdeling van auteursrechtelijke vergoedingen. De contractuele basis van Ducapro bood daarom onvoldoende grondslag voor het gevorderde verbod en de vergoeding.

Het Hof past vervolgens de afstemmingsregel toe. De rechter in kort geding moet zijn voorlopige oordeel in beginsel afstemmen op een inmiddels gegeven oordeel van de bodemrechter over hetzelfde geschil. Omdat niet was gebleken van een misslag in het bodemvonnis, gewijzigde omstandigheden of een andere reden om van dat uitgangspunt af te wijken, waren de voorlopige voorzieningen terecht geweigerd. Het Hof geeft daarmee geen zelfstandig definitief oordeel over de materiële auteursrechtelijke aanspraken van Ducapro, maar sluit voor dit kort geding aan bij het bodemvonnis. Ook het verzoek van Ducapro om de zaak na het eerdere pleidooi opnieuw, ditmaal mondeling, te bepleiten, wordt afgewezen omdat de goede procesorde zich daar vanwege de doorslaggevende betekenis van de afstemmingsregel tegen verzet. Het vonnis van het Gerecht wordt bevestigd en Ducapro wordt veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep: Afl. 207 aan verschotten en Afl. 5.000 aan salaris van de advocaat.

3.3

In een bodemzaak tussen partijen heeft, zo is het Hof ambtshalve bekend, het Gerecht op 10 juni 2026 (AUA202500984) uitspraak gedaan. In die bodemzaak heeft Ducapro gevorderd:

(1) voor recht te verklaren dat QW door het zonder toestemming van en/of zonder overeengekomen compensatie aan de door Ducapro – via BUMA/STEMRA – vertegenwoordigde auteurs of rechthebbenden op hun muzikale werken gebruik te maken van deze muzikale werken jegens deze auteurs en rechthebbenden onrechtmatig handelt;

(2) QW te verbieden gedurende de uitzendingen van het door haar geëxploiteerde radiostation gebruik te maken van de door Ducapro - via BUMA/STEMRA - vertegenwoordigde auteurs en overige rechthebbenden, op straffe van een dwangsom van Afl. 75 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat dit gebod wordt overtreden;

(3) QW te bevelen ter zake van het voormeld onrechtmatig handelen jegens de door Ducapro - via BUMA/STEMRA - vertegenwoordigde auteurs en rechthebbenden op hun muzikale werken een schadevergoeding te betalen, op te maken bij staat;

(4) veroordeling van QW in de proceskosten;

(5) uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beslissingen op de vorderingen onder (1) tot en met (4).

3.4

Het Gerecht heeft deze vorderingen afgewezen en daartoe – kort samengevat – het volgende overwogen. Ducapro heeft zich gepresenteerd als een collectieve beheersorganisatie die gerechtigd is op te komen voor de belangen van auteurs van muzikale werken en andere rechthebbenden. Zij heeft dat gebaseerd op de zogenoemde mandaatovereenkomst die zij heeft gesloten met BUMA/STEMRA uit Nederland, maar ziet daarbij over het hoofd dat de wetgeving op grond waarvan BUMA/STEMRA voor de belangen van die auteurs en rechthebbenden kan en mag opkomen, in Aruba niet geldt. Er is in Aruba geen dan wel onvoldoende wettelijke structuur waarbinnen vergoedingen voor gebruik van auteursrechten kunnen worden berekend, geïncasseerd en vergoed aan de uiteindelijk rechthebbenden met een toezichtsysteem op deze geldstromen (er is geen governance structuur). Het is aan de wetgever om hierin verandering te brengen. De contractuele basis waarop Ducapro zich beroept is dus onvoldoende. Daardoor ontbreekt voor QW de zekerheid dat zij een redelijke vergoeding betaalt en niet teveel of zelfs dubbel betaalt. Bij gebreke van een wettelijke regeling – waarin eventueel de tarifering kan worden aangepast aan de Arubaanse economische context – ontbreekt een grondslag voor de vorderingen van Ducapro.

3.5

Afstemming van dit kort geding op dit oordeel van de bodemrechter impliceert dat de gevorderde voorlopige voorziening in het bestreden kort geding vonnis terecht is geweigerd. Bij gebreke van een wettelijke structuur voor de berekening, incasso en vergoeding aan de uiteindelijk rechthebbenden, met een toezichtsysteem op deze geldstromen, bestaat onvoldoende grondslag voor toewijzing van het primair gevorderde verbod en de subsidiair gevorderde vergoeding. De contractuele grondslag waarop Ducapro zich beroept is daartoe onvoldoende. Van een misslag in het vonnis van de bodemrechter, gewijzigde omstandigheden of een andere reden om van het in de afstemmingsregel neergelegde uitgangspunt af te wijken, is niet gebleken.