IEF 19920

Gegevens illegale IPTV aanbieder moeten worden afgegeven

Vzr. Rechtbank Midden-Nederland 23 april 2021, IEF 19920; C/16/514516 / KG ZA 20-665 (BREIN tegen Rabobank) NN maakt op grote schaal inbreuk op de auteursrechten en naburige rechten van degenen van wie BREIN de belangen behartigt. Die inbreuk vindt plaats doordat NN via een website IPTV-pakketten verkoopt die toegang bieden tot ongeautoriseerde kopieën van films, tv-series en streams van kanalen. BREIN heeft allerlei acties ondernomen en onderzoek gedaan om de identiteit van NN te achterhalen, maar dat lukte haar steeds niet. Op een gegeven moment ontdekte BREIN dat NN een rekening bij de Rabobank heeft, waar zij op grond van de wet zichzelf heeft moeten identificeren en verifiëren voor het openen van een rekening bij die bank. BREIN vordert daarom van de voorzieningenrechter dat Rabobank deze gegevens aan haar afgeeft. Deze stelt BREIN in het gelijk en beveelt de Rabobank de gegevens van NN aan BREIN bekend te maken, mede op grond van de proportionaliteit en subsidiariteit die komen kijken bij deze zaak.

3.16. Het komt hier aan op een afweging van het belang van (degenen die zijn aangesloten bij) BREIN op te kunnen komen tegen inbreuken op het grondrecht van ongestoord genot van eigendom (i.c. auteursrecht), tegenover het grondrecht van bescherming van persoonsgegevens (voor zover de rekeninghouder van Rabobank een natuurlijk persoon is). Anders gezegd dient hier enerzijds het bepaalde in en krachtens de EU-richtlijn 2004/48 (de IE-richtlijn) afgewogen te worden tegen het bepaalde in en krachtens de EU-verordening 2016/679 (de AVG). Het eerstgenoemde recht brengt mee dat de rechter in verband met een geding wegens inbreuk op een intellectueel eigendomsrecht (dus ook in een kort geding als dit), op gerechtvaardigd en redelijk verzoek van de eiser kan gelasten dat informatie over - voor zover hier van belang - een bij de inbreuk betrokken persoon zoals de in geding zijnde rekeninghouder, wordt verstrekt aan de rechthebbende. Het als tweede genoemde recht brengt mee dat de rekeninghouder (en achter hem Rabobank) de bescherming geniet die de AVG voorschrijft en die, naar de voorzieningenrechter begrijpt, mede bepalend is geweest voor het door Rabobank aangehaalde Privacy Statement. Daaruit volgt reeds dat niet steeds de enkele omschrijving van het doel waartoe persoonsgegevens zijn verwerkt, in de weg staat aan toewijzing van een vordering als hier aan de orde is. De voorzieningenrechter is van oordeel, mede gezien al hetgeen overigens onder 3.6 tot en met 3.13 is overwogen, dat ook in het licht van de bedoelde afweging van rechten, de belangen van BREIN hier prevaleren boven die van Rabobank en haar rekeninghouder. Dat inwilliging van het verzoek van BREIN Rabobank ertoe noopt daarvan kennis te geven aan haar rekeninghouder, kan zo zijn, maar legt in haar voordeel hier geen gewicht in de schaal. Bij het voorgaande is nog daargelaten dat ook het Privacy Statement van Rabobank rept van fraudebestrijding als doel van gegevensverwerking, onder meer 'om schade van derden te voorkomen' en dat het Statement vermeldt dat anderen een gerechtvaardigd belang kunnen hebben bij het verwerken van de gegevens van de Rabobankcliënt en dat die gegevens in sommige gevallen aan die anderen kunnen worden doorgegeven.